Wat is de betekenis van ondeugend?

2019
2022-08-18
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

ondeugend

ondeugend - Bijvoeglijk naamwoord 1. stout, ongehoorzaam 2. grappig en uitdagend Woordherkomst Afgeleid van deugend met het voorvoegsel on-

Lees verder
2018
2022-08-18
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

ondeugend

ondeugend - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: on-deu-gend 1. wie doet wat niet mag ♢ Bas was erg ondeugend: hij pakte een snoepje uit de trommel 2. grappig en uitdagend ♢ Douglas keek me aan met...

Lees verder
1980
2022-08-18
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Ondeugend

Ondeugend behoort met onnozel, ongerijmd, onbehouwen, onverschillig en andere tot die woorden waarvan de vorm zonder onontbreekt. Het voorvoegsel heeft hier meer dan een ontkennende betekenis, het heeft ook de kracht van iets verkeerds. Dat verkeerde was vroeger veel sterker aanwezig dan thans. Vooral in de 18e eeuw betekende ondeugend: slecht in z...

Lees verder
1973
2022-08-18
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

ondeugend

bn. (—er, —st), kwaad van aard: een ondeugende hond; gewaagd: die plaatjes zijn nogal —; stout, ongezeglijk, brutaal; guitig, spotachtig, plaagziek: geestig en — was hij van natuur; (bw.) schalks: als hij die grap vertelt, kijkt hij altijd zo —.

Lees verder
1952
2022-08-18
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Ondeugend

adj. & adv., ûndogens, stoarmsk, stout; — kind, njirrebrod (it) heiden, prakke.

1950
2022-08-18
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Ondeugend

bn. (-er, -st), 1. (vero.) aan ondeugd overgegeven, kwaad van aard: een ondeugende hond; 2. stout, ongezeglijk, brutaal: uw ondeugend gedrag; ondeugend kind dat je bent; — (fig.) hij is ondeugend geweest, heeft van de kaas gesnoept; 3. guitig, spotachtig, plaagziek: geestig en ondeugend was hij van natuur; — (bw.) schalks : als hij di...

Lees verder
1937
2022-08-18
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

ondeugend

bn., bw. (1 kwaad van aard, niet deugend; van kinderen: stout, ongezeglijk; 2 licht spottend, plaagziek; 3 gunstig: schalks): 1 een ondeugend paard; een ondeugend kind; 2 een ondeugende blik; 3 hij kijkt altijd zo ondeugend.

Lees verder
1898
2022-08-18
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Ondeugend

Ondeugend bn. (-er, -st), aan ondeugd overgegeven, zedelijk slecht, (w. g.): nu vind ik dat een mensch ’s avonds altijd iets beter is, of minder ondeugend liever, dan ’s morgens; — stout, ongezeglijk, brutaal: uw ondeugend gedrag; ondeugend kind, dat je bent; — niet goedig, niet vergoelijkend, guitig, spotachtig, plaagziek...

Lees verder