Onderbreken
(onderbrak, heeft onderbroken), 1. iets middenin afbreken, onverwachts storen, gewoonlijk afbreken: bij pozen onderbrak hij de arbeid; — iemands slaap (sluimering) onderbreken, die verstoren; — iemands rede (taal, woorden enz.) onderbreken, hem in de rede vallen; — een gesprek (onderhoud, s...