Wat is de betekenis van onbezonnen?

2019
2022-10-03
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

onbezonnen

onbezonnen - Bijvoeglijk naamwoord 1. niet geneigd zich te bezinnen, blijk gevend van ondoordacht optreden Woordherkomst Afgeleid van het voltooid deelwoord van bezinnen met het voorvoegsel on- Synoniemen onbesuisd, overijld, roekeloos, onbedachtzaam, onberaden, ondoordacht Antoniemen bezonnen Verwante beg...

Lees verder
2018
2022-10-03
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

onbezonnen

onbezonnen - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: on-be-zon-nen 1. zonder goed na te denken ♢ Ciske heeft zich onbezonnen in dat avontuur gestort Bijvoeglijk naamwoord: on-be-zon-nen Synoniemen lichtvaardig, lichtzinnig, onnadenkend ...

Lees verder
1973
2022-10-03
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

onbezonnen

(het accent wisselt), bn. en bw. (-er, -st), niet bezonnen, onbedachtzaam, onberaden, lichtvaardig in handelen of spreken, of daarvan blijk gevend.

1952
2022-10-03
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Onbezonnen

adj. & adv., ûnbitocht(sum) ûnbiret, -biriedich, domdryst, derten, dol, rimpen; — persoon, dollejoaris, nochteren keal.

1950
2022-10-03
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Onbezonnen

bn. bw. (-er, -st), niet bezonnen, onbedachtzaam, onberaden, lichtvaardig in handelen of spreken of daarvan blijk gevend: onbezonnen zich in gevaar begeven; onbezonnen spreken; in zijn onbezonnen ijver begon hij alles tegelijk.

1937
2022-10-03
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

onbezonnen

bn., bw. (onbedachtzaam, onberaden, lichtvaardig [in handelen en spreken]). hij was zo onbezonnen op het ijs te gaan; onbezonnen alles op het spel zetten.

1930
2022-10-03
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

onbezonnen

(onbə'zonnən) bn. en bw. niet nagedacht hebbend, ondoordacht: een speler; dat is ijver; alles op het spel zetten. Syn.→ onbedacht.

1898
2022-10-03
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Onbezonnen

bn. (-er, -st), niet bezonnen, over zijne zaken of handelingen en de gevolgen daaruit voortvloeiende niet of te weinig nagedacht hebbende, onbedachtzaam, onberaden, lichtvaardig in handelen of spreken : onbezonnen zich in gevaar begeven; onbezonnen spreken; onbezonnen alles op het spel zetten; in zijn onbezonnen ijver begon hij alles tegelijk.

1898
2022-10-03
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Onbezonnen

zie Onbekookt.