Wat is de betekenis van omvang?

2019
2021-12-06
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

omvang

omvang - Zelfstandignaamwoord 1. omtrek, dikte 2. grootte 3. uitgestrektheid 4. (muziek) de tonen die een stem of instrument kan voortbrengen, toonomvang omvang - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van omvangen ♢ Ik omvang 2. gebiedende wijs van omvangen ...

Lees verder
2018
2021-12-06
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

omvang

omvang - zelfstandig naamwoord uitspraak: om-vang 1. hoe groot het is ♢ het pak had een geweldige omvang Zelfstandig naamwoord: om-vang de omvang

Lees verder
1973
2021-12-06
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

omvang

m. (g. mv.), 1. omtrek; 2. grootte: iets van flinke -, dikte; 3. ruimte die iets inneemt: (fig.) de van de ramp, uitgestrektheid; 4. volume (m.n. van een stem): zijn stem had te weinig voor die enorme zaal; 5. (muziek) de uitgestrektheid op de toonladder: de aria heeft een — van een octaaf.

Lees verder
1952
2021-12-06
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Omvang

s., bifieming, bigryp (it), bistek (it), omgong, grouwens, groute; in toenemen, groeije.

1950
2021-12-06
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Omvang

m., g. mv., 1. omtrek, dikte: die boom heeft een grote omvang; 2. uitgestrektheid, ruimte die iets beslaat: die boomgaard, die tuin is groot van omvang; in zijn ganse omvang; — (fig.) het is beter aan die vraag geen al te grote omvang te geven, daarin niet al te veel te begrijpen; — zij beseffen hun verli...

Lees verder
1937
2021-12-06
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

omvang

m. (omtrek; grootte; uitgestrektheid, ruimte, die iets beslaat): de omvang van enig lichaam: iets van veel dikte; fig. de omvang van een ramp, uitgestrektheid.

1910
2021-12-06
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Omvang

Omvang - de bepaalde afmetingen welke een voorwerp heeft, de omtrek, de uitgestrektheid er van, de hoegrootheid van de ruimte, die het beslaat.

1898
2021-12-06
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Omvang

Omvang m. omtrek, dikte: die boom heeft een grooten omvang; — uitgestrektheid, ruimte die iets beslaat: die boomgaard, die tuin is groot van omvang; — (fig.) het is beter aan die vraag geen al te grooten omvang te geven, daarin niet al te veel te begrijpen; — zij beseffen hun verlies in zijn vollen omvang nog niet; — de o...

Lees verder
1898
2021-12-06
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Omvang

zie Omtrek.