Wat is de betekenis van ogen?

2019
2022-09-26
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

ogen

ogen - Werkwoord 1. (intr) de aanblik hebben van Dat oogde beter dan het was. 2. aandachtig kijken naar, staren naar ogen - Zelfstandignaamwoord 1. meervoud van het zelfstandig naamwoord oog Woordherkomst afgeleid van oog met het achtervoegsel -en

Lees verder
2018
2022-09-26
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

ogen

ogen - regelmatig werkwoord uitspraak: o-gen 1. een bepaald uiterlijk hebben ♢ hij oogt nog erg jong Regelmatig werkwoord: o-gen ik oog jij/u oogt hij/zij o...

Lees verder
1973
2022-09-26
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

ogen

(oogde, heeft geoogd), 1. de ogen gevestigd houden op, aandachtig of scherp kijken: de kinderen oogden hunkerend naar de taart; op een doel ogen, mikken; 2. (op iets) bedacht zijn, naar iets streven; verblinden die op dank of loon of lofspraak ogen; 3. oog hebben, er goed uitzien.

Lees verder
1972
2022-09-26
ABC van de Hengelsport

Schrijver op Ensie

Ogen

Ogen - Officieel spreekt men liever over ,ringen’, maar het woord ,ogen’ is bij de Nederlandse hengelaar beter ingeburgerd. Aan de hengel kennen we: het startoog (het dichtst bij de handgreep), de geleideogen (langs de hengel) en het topoog, (aan de punt). Over het materiaal waarvan de ogen zijn gemaakt is wel het een en ander te zeggen...

Lees verder
1952
2022-09-26
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Ogen

v., eagje.

1950
2022-09-26
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Ogen

(oogde, heeft geoogd), 1. de ogen slaan, aandachtig of scherp kijken: de kinderen oogden hunkrend naar de taart; op een doel ogen, mikken; 2. (op iets) bedacht zijn, naar iets streven: verblinden die op dank of loon of lofspraak oogt; 3. (w. g.) oog hebben, er goed uitzien: die donkere japon voor dat jonge meisje, dat oogt niet.

Lees verder
1937
2022-09-26
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

ogen

oogde, h. geoogd (1 het oog gevestigd houden op; verlangen naar; 2 streven naar): 1. zij oogden hunkerend naar de brij; 2. op iets ogen, b.v. op roem; vero.

Lees verder
1930
2022-09-26
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

ogen

(‘o:gən) (oogde, heeft geoogd) 1. de ogen slaan, scherp kijken: naar iets -. 2. streven : hij oogde op een lidmaatschap.

1900
2022-09-26
Collectie Nederland

Collectie Nederland: Musea, Monumenten en Archeologie

ogen

Een in een touw gesplitste lus.