Wat is de betekenis van nuttig?

2019
2021-04-11
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

nuttig

nuttig - Bijvoeglijk naamwoord 1. van nut zijnde nuttig - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nuttigen ♢ Ik nuttig 2. gebiedende wijs van nuttigen nuttig! 3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van...

Lees verder
2018
2021-04-11
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

nuttig

nuttig - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: nut-tig 1. wat voordeel met zich meebrengt, bruikbaar ♢ dit is een nuttig apparaat Bijvoeglijk naamwoord: nut-tig ... is nuttiger dan ... het nu...

Lees verder
1952
2021-04-11
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Nuttig

adj. & adv., nuttich, nut, tsjinstich; het is nergens — voor, it is nearne ta nut; — zijn, nutsje.

1950
2021-04-11
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Nuttig

bn. bw. (-er, -st), 1. nut aanbrengende, voordelig : een nuttig werk verrichten; een nuttig lid der maatschappij ; zijn tijd nuttig besteden ; de nuttige handwerken ; het nuttige met het aangename verbinden; 2. (mech.) aan het gestelde doel ten goede komend: het nuttig effect van een machine, verhouding tussen opgenomen en afg...

Lees verder
1898
2021-04-11
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Nuttig

bn. bw. (-er, -st), nut aanbrengende, voordeelig : een nuttig werk verrichten; een nuttig lid der maatschappij; zijn tijd nuttig besteden; de nuttige handwerken; — het nuttig effect eener machine, verhouding tusschen opgenomen en afgegeven energie; — (zelfst.) het nuttige met het aangename verbinden.

Lees verder