Synoniemen van Nor

2020-04-07

Nor

Nor - politiekamer. Sedert 1881. Oorspr. een Bargoens woord dat gevangenis betekent. Misschien van het Mnl. woord norren dat brommen bete­ kent; brommen is een gevangenisstraf ondergaan. Van de veronderstelling dat een gevangene in eenzame opsluiting in zichzelf zit te praten (te brommen).

2020-04-07

nor

nor - Zelfstandignaamwoord 1. een gevangenis Hij zit al elf jaar in de nor.

2020-04-07

nor

nor - zelfstandig naamwoord 1. gebouw waarin misdadigers worden opgesloten ♢ hij zit zijn straf uit in de nor Zelfstandig naamwoord: nor de nor Synoniemen bajes, gevangenis, lik

2020-04-07

nor

gevangenis In 1881 voor het eerst aangetroffen, in een literaire tekst (over een besloten ruimte aan boord van een schip). In 1906 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, De Boeventaal van Köster Henke, met als betekenis ‘’t hok, ’t cachot op ’t politiebureau’. Later vrijwel alleen gebruikt voor ‘gevangenis’. Een min of meer vaste verbinding is de nor indraaien. J.H. Speenhoff schreef omstreeks 1920 een lied getiteld ‘Brief van een oude moeder (aan haar zoon die in...

2020-04-07

nor

nor - gevangenis, cachot.

2020-04-07

nor

’t hok; ’t cachot op t politiebureau. In de nor.

2020-04-07

nor

I v. (-ren) Gemz. verkorting van normaalschool. nor II v. Diev. gevangenis: in de zitten.

2020-04-07

Nor

Het begrip nor heeft 2 verschillende betekenissen: 1. nor - v. gemeenz. verkorting voor : normaalles of normaalschool. 2. nor - v. (-ren), (diev.) gevangenis: hij zit in de nor.