Wat is de betekenis van Nor?

2020
2021-04-22
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

nor

1) (1870) (oorspr. sold.) gevangenis. Betekent eig.: vuile plaats; hok. 'De nor indraaien'. Bargoense syn. voor gevangenis zijn o.a.: bajes*; ballon*; bazaar*; bonenhotel*; gribus*; hotel* Bellevue; hotel* de houten lepel; kaleboes*; kassement*; kiekeboe*; lik*; mop*; nekof*; pakhuis*; Rijkshotel*; schuurtje*; Sing* Sing; spinhuis*; Spijkerborn*; S...

Lees verder
2019
2021-04-22
Ewoud Sanders

Taalhistoricus en journalist.

nor

gevangenis In 1881 voor het eerst aangetroffen, in een literaire tekst (over een besloten ruimte aan boord van een schip). In 1906 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, De Boeventaal van Köster Henke, met als betekenis ‘’t hok, ’t cachot op ’t politiebureau’. Later vrijwel alleen gebruikt voor ‘gevangenis’. Een min of meer...

Lees verder
2019
2021-04-22
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

nor

nor - Zelfstandignaamwoord 1. een gevangenis Hij zit al elf jaar in de nor.

Lees verder
2018
2021-04-22
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

nor

nor - zelfstandig naamwoord 1. gebouw waarin misdadigers worden opgesloten ♢ hij zit zijn straf uit in de nor Zelfstandig naamwoord: nor de nor Synoniemen bajes, gevangenis, lik

Lees verder
2017
2021-04-22
Soldaten

Jargon & Slang van Soldaten

Nor

Nor - politiekamer. Sedert 1881. Oorspr. een Bargoens woord dat gevangenis betekent. Misschien van het Mnl. woord norren dat brommen bete­ kent; brommen is een gevangenisstraf ondergaan. Van de veronderstelling dat een gevangene in eenzame opsluiting in zichzelf zit te praten (te brommen).

1985
2021-04-22
Woordenboek automatisering

Henk Biemond - 1985

NOR

NOCH-NOCH Een logisch bewerkingsteken met de eigenschap dat indien P, Q en R beweringen zijn, de NOCH-NOCH relatie tussen P, Q en R geldt indien alle beweringen ’onwaar’ zijn en niet geldt indien minstens één bewering ’waar’ is.

1973
2021-04-22
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

nor

v./m. (-ren), (spreekt.) gevangenis: hij zit in de -.

1955
2021-04-22
vreemd

Vreemde woordenboek

Nor

gevangenis, cachot

1952
2021-04-22
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Nor

s., bak, kas(t), doas, hounegat (it).

1950
2021-04-22
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Nor

I. NOR v. (-ren), (Barg., spreekt.) gevangenis: hij zit in de nor. II.NOR v., gemeenz. afkorting van normaalschool.

Lees verder
1949
2021-04-22
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

nor

’t hok; ’t cachot op t politiebureau. In de nor.

1898
2021-04-22
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Nor

Het begrip nor heeft 2 verschillende betekenissen: 1. nor - v. gemeenz. verkorting voor : normaalles of normaalschool. 2. nor - v. (-ren), (diev.) gevangenis: hij zit in de nor.

Lees verder