Wat is de betekenis van nood?

2019
2022-01-22
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

nood

nood - Zelfstandignaamwoord 1. levensbedreigende situatie waaruit men zichzelf niet meer kan redden en onmiddellijke hulp vereist is De passagiers van het in nood verkerende schip konden allen gered worden. 2. gebrek, een tekort aan iets In het journaal van de V...

Lees verder
2018
2022-01-22
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

nood

nood - zelfstandig naamwoord 1. grote moeilijkheden, gevaar ♢ het schip is in nood 1. nood breekt wet [als je in moeilijkheden bent kun je je niet altijd aan de regels houden] 2...

Lees verder
1973
2022-01-22
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

nood

m. (noden), 1. dwang van de omstandigheden, noodwendigheid: de heeft hem ertoe gedwongen; uit nood handelen; in geval van nood, wanneer het niet anders kan; (zegsw.) van de een deugd maken, onder ongunstige omstandigheden toch nog iets goed zien te bereiken; nood breekt wet, noodsituaties rechtvaardigen een overtreding; 2. benauwdheid, gevaar: een...

Lees verder
1952
2022-01-22
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Nood

s., need; in —, faei, gefaerlik, yn it near; uit de —, út ’e brân, út ’e niten; geen —, gjin genoad, gjin gefaer; als de — aan de man komt, as de kniper op ’e skine komt.

1950
2022-01-22
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Nood

m. (noden), 1 dwang der omstandigheden, noodwendigheid; de nood heeft hem er toe gedwongen; uit nood handelen; in geval van nood, wanneer het niet anders kan; — (zegsw.) van de nood een deugd maken, zich naar de omstandigheden schikken; — nood breekt wet; 2. benauwdheid, gevaar; een schip in nood; in tijd van noo...

Lees verder
1937
2022-01-22
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

nood

m. noden (dwang, geweld, ons door een sterkere aangedaan; fig. hachelijke toestand, kommer, ellende, gevaar, gebrek, behoefte): zie hongersnood, watersnood; door de nood gedwongen; in geval van in nood verkeren; de nood komt (of: gaat) aan den man, het begint er ernstig uit te zien, het gevaar dreigt van nabij; in de uiterste nood, bij het dreigend...

Lees verder
1933
2022-01-22
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Nood

→ Overmacht.

1898
2022-01-22
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Nood

m. (-en), dwang der omstandigheden, noodwendigheid : de nood heeft hem er toe gedrongen; uit nood handelen; in geval van nood, wanneer het niet anders kan; — (gev.) nood doen, noodig zijn, vereischt zijn; — behoefte, gebrek: klagers hebben zelden nood; — ellende, kommer, ongeluk, moeilijke omstandigheden, zwarigheid: iem. uit de...

Lees verder
1898
2022-01-22
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Nood

zie Druk, zie Gevaar.