Wat is de betekenis van nomen?

2020
2021-08-04
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

nomen

Het begrip nomen heeft 2 verschillende betekenissen: 1) naamwoord. naamwoord, vooral zelfstandig naamwoord. 2) naam.

Lees verder
2019
2021-08-04
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

nomen

nomen - Zelfstandignaamwoord 1. zelfstandig naamwoord.

Lees verder
1994
2021-08-04
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Nomen

[Lat.; vgl. Gr. onoma] 1 naam; nomen proprium, eigennaam; nomen est omen (de naam is een voorteken), of: nomen et omen (naam en voorteken), de naam zegt het al, de naam geeft een kenmerk van de drager; 2 (taalk.) naamwoord, spec. zelfst. naamwoord; nomen actionis, zelfst. naamwoord dat een ha...

Lees verder
1993
2021-08-04
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Nomen

naam; (zelfstandig) naamwoord

1973
2021-08-04
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Nomen

in de Scandinavische mythologie schikgodinnen, een verpersoonlijking van het noodlot. In de Oudnoorse litteratuur is de gewone voorstelling, dat de Nomen talrijk zijn en dikwijls ook in groot aantal tegelijk optreden. Hun taak is vooral het vaststellen van ’s mensen levenslot bij zijn geboorte en het bepalen van zijn doodsuur. Een jongere, sy...

Lees verder
1950
2021-08-04
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Nomen

(Lat.), o. (nomina), 1. naam; — nomina sunt odiosa, men noeme geen namen; 2. (spraakk.) naamwoord, inz. zelfstandig naamwoord.

Lees verder
1948
2021-08-04
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

nomen

(Lat.) naam; ~ agentis, (taalk.) naam van persoon die „een handeling verricht”; ~ est omen, (Lat.) de naam is een voorteken; ~ et omen, (Lat.) de naam en de aanduiding ervan tegelijk (bv. een bakker, die Bakker beet); ~ nescio, (Lat.) de naam weet ik niet.

1937
2021-08-04
Scholastiek Lexicon

Latijns-Nederlandsch

NOMEN

1. Naam, titel. Nomine, Bij naam. — Nomen est vox significativa ad placitum simplicis intellectus, quod est similitudo rei, s. THOMAS, COM. IN I PERIHERMEN. LECT. 10, N° 2, De naam is een woord dat naar willekeur de verstandsopvatting, gelijkenis nl. van het ding, te kennen geeft. — Nomen proprie loquendo dicitur si...

Lees verder
1933
2021-08-04
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Nomen

3 schikgodinnen i/d Noorsche myth., overeenkomend met de Grieksche → Moiren. Gerd (het verleden), Verdandi (het heden) en Skoeld (de toekomst).

1933
2021-08-04
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Nomen

→ Naamwoord.

1910
2021-08-04
Grieksche en Romeinsche Oudheid

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche Oudheid

Nomen

Nomen - De Grieken hadden geene geslachts- of familienamen. Het kind ontving één enkelen naam naar de keuze der ouders. Het eenige middel ter onderscheiding was, dat men den naam des vaders en in officieele stukken ook den naam van den demus er bij voegde, b. v. Δημοσθένης Δη&mu...

Lees verder
1898
2021-08-04
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Nomen

o. naam; (spraakk.) naamwoord, inz. zelfstandig naamwoord.