Wat is de betekenis van niets?

2019
2022-08-18
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

niets

niets - Onbepaald voornaamwoord 1. geen enkel ding, geen enkele zaak Hij was op de markt, maar hij kocht helemaal niets. Woordherkomst afgeleid van niet (bijwoord) met het achtervoegsel -s Uitdrukkingen en gezegden ♦ niet voor niets ...

Lees verder
2018
2022-08-18
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

niets

niets - voornaamwoord, bijwoord, zelfstandig naamwoord 1. helemaal niet ♢ dat bevalt me niets 2. wat niet bestaat ♢ hij kwam uit het niets tevoorschijn 3. geen geld...

Lees verder
1998
2022-08-18
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

niets

Ook: niks. 1. Een (vrijwel) waardeloze hand. 2. Een slechte score. 3. Een niet-haalbare manche (in de uitdrukking ‘redden tegen niets’). 4. Een kleintje (in het verzoek van een leider aan de dummy ‘doe maar niets’ en in de aanduiding van een waardeloze doubleton of driekaart: ‘twee keer niks’ resp. ‘drie keer niks’).

Lees verder
1973
2022-08-18
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

niets

I. onbep. vn., 1. geen enkel ding, geen enkele zaak: ik weer er niets van; weet je niets nieuws?; weet je beters?, repliek op ongepaste aardigheden, flauwiteiten e.d.; (m.n.) geen geld, tevergeefs; niet voor niets, niet zonder resultaat, zonder ervan geprofiteerd te hebben; een dingetje van niets, dat heel weinig voorstelt; dat is niets, niet erg,...

Lees verder
1952
2022-08-18
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Niets

pron., neat; totaal —, gjin byt, bean, sprút(sel), sprusel, spui-uit, spoen, spier, drip, grevel, grissel(tsje), brui; — minder, gjin hier minder; er is — aan, der is rook noch smaak oan; dat wordt —, der komt neat fan op ’e hispel, hespel; van — af beginnen, &uacu...

Lees verder
1950
2022-08-18
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Niets

I. onbep. vnw., geen enkel ding, geen enkele zaak, in tegenstelling met iets: ik weet er niets van; dat loopt op niets uit; weet je niets nieuws? — (in ’t bijz.) geen geld: dat kost niets; zij heeft niets; — voor niets, tevergeefs; — niet voor niets, niet zonder resulta...

Lees verder
1937
2022-08-18
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

niets

(d.i. niet + iets) 1. onbep. vnw.: op aarde is niets bestendig; ze heeft niets, geen geld; niets dan ellende; voor niets; een dingetje van niets, geen waarde; ik vind het niets prettig; spreekt, niets geen, volstrekt niet; dat is van geen waarde; 2. o.: een leugen, een niets, een nietsje.

Lees verder
1933
2022-08-18
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Niets

De ontkenning van het ➝ iets. Zie ➝ Schepping. Het wijst ofwel op zuivere negatie, bijv. onwetendheid (eenvoudige afwezigheid van kennis) ofwel op een privatie (gemis of gebrek), bijv. domheid (afwezigheid van kennis, die er behoort te zijn). Ook het physieke en moreele kwaad (de zonde) is enkel een privatie: de afwezigheid van een goed, dat er beh...

Lees verder
1898
2022-08-18
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Niets

Niets onbep. vnw. geen enkel ding, geen enkele zaak, in tegenstelling met iets: hebt gij niets gehoord?; ik weet er niets van; dat loopt op niets uit; weet gij niets nieuws? — — bw. in ’t geheel niet, volstrekt: dat bevalt mij niets; dat vind ik niets belangrijk; 't is niets aangenaam; ik heb er niets geen lust in; —...

Lees verder