Wat is de betekenis van Niet?

2019
2021-05-16
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

niet

niet - Bijwoord 1. ontkenning, tegenovergestelde van 'wel' Het is niet zo. 2. zo niet: niet op deze wijze Dat moet je zo niet doen want dan gaat het boek kapot. niet - Zelfstandignaamwoord niet - Werkwoord 1...

Lees verder
2018
2021-05-16
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

niet

niet - bijwoord 1. geeft ontkenning aan ♢ hij kan niet komen Algemene uitdrukkingen: 1. dat was lekker, niet? [dat vind jij toch ook?] Bijwoord: niet Tegenstellingen wel

Lees verder
1973
2021-05-16
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

niet

I. vw., niet iets (in zegsw. en enkele vaste verbindingen): dat is meer dan een opmerking van algemene aard; om —, gratis; (ook) tevergeefs; (zegsw.) als — komt tot iet, dan kent iet zichzelve niet; II. bn. van ontkenning: ik kan komen; daar wordt weinig of — op gelet; — eens, zelfs niet: dat — zozeer!, dat eigenlijk n...

Lees verder
1952
2021-05-16
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Niet

1. s.; (in de loterij), neat. 2. s.; (klinknagel), nyt; (in schaar), nearring. 3. adv., net; te — gaan, to neate gean; in het — vallen bij, weifalle by; om —, forgees, om ’e nocht.

Lees verder
1950
2021-05-16
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Niet

I. vnw., niet iets (in zegsw. en enkele vaste verbindingen): dat is niet meer dan een opmerking van algemene aard ; — om niet, gratis ; (ook) tevergeefs ; — voor niet; — te niet gaan, doen, zie Teniet en samenst.; — (zegsw.) als niet komt tot iet, dan is het allemans verdriet (of ...

Lees verder
1910
2021-05-16
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Niet

Niet - 1. Bij een gewone loterij, geen prijs. 2. Bij eene loten- of premieleening, de laagste prijs, gewoonlijk gelijkstaande met den inleg.

1898
2021-05-16
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Niet

1. Niet bw. van ontkenning: ik kan niet komen; niet met al of allen, niemendal, hoegenaamd niets; — ’t was goed weer, dat niet, dat ontken ik niet; — wat heb ik niet dikwijls gezegd, ik heb immers dikwijls gezegd; — hoe vaak heb ik niet gedacht, zeer vaak heb ik gedacht; — dat is niet te versmaden, dat moet men graa...

Lees verder