Wat is de betekenis van natuurlijk?

2019
2021-04-15
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

natuurlijk

natuurlijk - Bijvoeglijk naamwoord 1. uit de natuur afkomstig natuurlijk - Bijwoord 1. vanzelfsprekend. Woordherkomst Afgeleid van natuur met het achtervoegsel -lijk Antoniemen onnatuurlijk

Lees verder
2018
2021-04-15
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

natuurlijk

natuurlijk - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: na-tuur-lijk 1. alles wat te maken heeft met de natuur ♢ ik hou van een natuurlijke versiering met de kerst 1. een natuurlijke dood sterven [niet vermo...

Lees verder
1998
2021-04-15
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

natuurlijk

1. Van een bod: lengte (of steun) in de geboden kleur belovend of (SA-bod) een min of meer evenwichtige hand, terwijl niet tegelijkertijd een andere boodschap wordt overgebracht. In enge zin is een bod alleen ‘natuurlijk’ als daarmee een voorstel wordt gedaan het bod tot eindcontract te laten worden. In ruime zin worden diverse forcing biedingen oo...

Lees verder
1990
2021-04-15
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

natuurlijk

natuurlijk - In algemene zin, zijn oorsprong hebben binnen de normale samenstelling en werking van zaken zoals die in de natuur worden aangetroffen, en die nauwelijks of geen enkele menselijke bewerking hebben ondergaan. Verwijst in specifieke zin naar blaasinstrumenten zonder kleppen, toetsen of andere mechanische voorzieningen voor het veranderen...

Lees verder
1973
2021-04-15
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

natuurlijk

bn. en bw. (-er, -st), 1. op de natuur betrekking hebbend; 2. door de natuur voortgebracht of gevormd, niet kunstmatig: een natuurlijke magneet; natuurlijke grenzen; natuurlijke steen, natuursteen; talud, helling die af gegraven grond aanneemt als men hem aan de natuur overlaat: de steilte van het talud hangt af van de samenstelling van de grond;...

Lees verder
1952
2021-04-15
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Natuurlijk

adj. & adv., natuerlik, eigenaerdich; een -e dood sterven, jins eigen dea stjerre; (adv.), fansels.

1950
2021-04-15
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Natuurlijk

bn. bw. (-er, -st), 1. op de natuur betrekking hebbend: natuurlijke historie, dier-, planten delfstofkunde; natuurlijke godsdienst; 2. door de natuur voortgebracht of gevormd: een natuurlijke magneet; natuurlijke grenzen; natuurlijke steen, natuursteen; — natuurlijk talud, helling die afgegraven grond aanneemt, als...

Lees verder
1898
2021-04-15
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Natuurlijk

bn. bw. (-er, -st), van de natuur, op de natuur betrekking hebbend: natuurlijke historie, dier-, plant- en delfstofkunde; natuurlijke godsdienst, zie natuurgodsdienst; — door de natuur voortgebracht of gevormd: een natuurlijke magneet; natuurlijke grenzen; — de natuurlijke dag, van zonsoptot zonsondergang; — zooals de natuur het m...

Lees verder