Wat is de betekenis van nakomeling?

2018
2022-01-24
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

nakomeling

nakomeling - zelfstandig naamwoord uitspraak: na-ko-me-ling 1. iemand die een bepaalde ander als voorouder heeft ♢ opa Elvis is gestorven zonder nakomelingen Zelfstandig naamwoord: na-ko-me-ling de nakomeling...

Lees verder
1973
2022-01-24
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

nakomeling

m. (-en), 1. hij die na iemand gekomen, geboren is, afstammeling; 2. (mv. en coll.) nageslacht.

Lees verder
1952
2022-01-24
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Nakomeling

s., neikom(me)ling; goede -en krijgen, bêst skaeije.

1950
2022-01-24
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Nakomeling

m. en v. (-en), 1. hij die na iem. gekomen, geboren is, afstammeling; 2. (mv. en collect.) nageslacht.

Lees verder
1937
2022-01-24
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

nakomeling

m. en v. nakomelingen ([hij, die na iem. geboren wordt als] afstammeling; in bet mv. nageslacht): de koning stierf zonder mannelijke nakomelingen.

1898
2022-01-24
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Nakomeling

Nakomeling m. en v. (-en), afstammeling; de nakomelingen, het nageslacht. NAKOMELINGE, v. (-n).

1898
2022-01-24
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Nakomeling

zie Afkomeling.