Wat is de betekenis van Nadruk (1)?

1898
2020-11-23
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Nadruk (1)

Nadruk m. het nadrukken: hij beklaagt zich over den nadruk van zijn werk; (-ken), nagedrukt boek: de Amerikaansche nadruk van dit werk is veel goedkooper. NADRUKJE, o. (-s).