Wat is de betekenis van Naaste?

2019
2021-05-18
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

naaste

naaste - Zelfstandignaamwoord 1. medemens ”Heb uw naaste lief als uzelf.” naaste - Bijvoeglijk naamwoord 1. verbogen vorm van de overtreffende trap van na naaste - Werkwoord 1. aanvoegende wijs van naasten Synoniemen evenmens, medemens

Lees verder
2018
2021-05-18
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

naaste

naaste - zelfstandig naamwoord uitspraak: naas-te 1. iedere persoon waarmee je op deze aarde leeft ♢ je moet je naasten liefhebben als jezelf Zelfstandig naamwoord: naas-te de naaste de...

Lees verder
2000
2021-05-18
Bijbels Lexicon

Door Karina van Dalen-Oskam & Marijke Mooijaart

Naaste

Naaste, lid van dezelfde leefgemeenschap (familie, woonplaats, volk, etc.); medemens. Een naaste is iemand die tot dezelfde familie of hetzelfde volk behoort; vgl. Exodus 2:13, ‘Toen hij op een andere dag uitging, zie, daar waren twee Hebreeuwse mannen aan het vechten, en hij zeide tot de schuldige: Waarom slaat gij uw naaste?’ (NBG-vertaling). De...

Lees verder
1973
2021-05-18
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

naaste

v./m. (-n), geloofs-, volksgenoot; (bij uitbreiding) evenmens: gij zult uw ⎯ liefhebben.

1955
2021-05-18
Katholicisme encyclopedie

Onder redactie van Prof. dr. J.C. Groot

NAASTE

is letterlijk, taalkundig bezien, de overtreffende trap van het bijvoeglijk naamwoord „na” (nabij, dichtbij) en betekent volgens ons spraakgebruik: dichtstbij-zijnde, intiemst, het meest verwant. In het christelijke spraakgebruik werd het van bijvoeglijk naamwoord een zelfstandig naamwoord ter aanduiding van de evenmens. Zoals God ieder...

Lees verder
1952
2021-05-18
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Naaste

s., neiste, evenminske.

1950
2021-05-18
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Naaste

m. en v. (-n), evenmens: gij zult uw naaste liefhebben.

1926
2021-05-18
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Naaste

De naaste is naar den zin van het woord ieder, die naast ons staat, de één wat dichter bij, de ander wat verder af. En daar wij nu allen uit éénen bloede gesproten zijn, moeten wij alle menschen, bekend of onbekend, sympathiek of antipathiek, als onze naasten erkennen en behandelen. Jezus vat den ganschen inhoud der zede...

Lees verder
1898
2021-05-18
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Naaste

Naaste m. en v. (-n), evenmensch, natuurgenoot: heb God lief boven alles en uw naaste als uzelf.

1898
2021-05-18
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Naaste

zie Evenmensch.