Wat is de betekenis van Naast (1)?

1898
2021-07-26
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Naast (1)

Naast voorz. dicht bij, nabij, nevens, ter zijde van: hij woont vlak naast mij; hij is er naast, slaat de plank mis; — onmiddellijk volgende op: naast God heb ik u mijn redding te danken.

Lees verder