Wat is de betekenis van naarstig?

2020
2021-04-16
Onze Taal

Genootschap Onze Taal | Woordpost

naarstig

betekenis ijverig uitspraak [naar-stuhg] citaat "De vertaalster, Laura Watkinson, was ook degene die De brief voor de koning twee jaar geleden bij Freudenheim had geïntroduceerd toen hij (...) naarstig zocht naar Europese kinderboeken die nooit door de Engelsen zijn opgepikt." Bron: Ook Engeland valt voor De brief voor de koning (P...

Lees verder
2019
2021-04-16
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

naarstig

naarstig - Bijvoeglijk naamwoord 1. ijverig en vlug 2. (Limburg) vlijtig Woordherkomst afgeleid van ernst met het achtervoegsel -ig Verwante begrippen nijver

Lees verder
1980
2021-04-16
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Naarstig

Over de betekenis van dit typische schrijftaalwoord is niet veel te zeggen. Men gebruikt het in de zin van: volijverig, nauwgezet, vlijtig. Het merkwaardige zit in de eerste letter. Die hoort er namelijk oorspronkelijk niet bij. Naast naarstig vindt men neerstig en in het Middelnederlands: nernstich. Nu wordt de zaak duidelijk: nernstig is een bijv...

Lees verder
1973
2021-04-16
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

naarstig

bn. en bw. (-er, -st), ijverig, vlijtig, m. n. bij het volbrengen van een taak: een — scholier; – werken.

1952
2021-04-16
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Naarstig

adj. & adv., iverich, dipper, flitich.

1950
2021-04-16
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Naarstig

bn. bw. (-er, -st), ijverig, vlijtig, bep. bij het volbrengen van een taak: een naarstig scholier; naarstig werken.

1921
2021-04-16
Levende taal

T. Pluim - 1921

Naarstig

Het Middelned. had voor ernst ook aerst, waarvan men naernst, d.i. in ernst of in ijver vormde; van dit naernst ot naerst is naarstig gevormd, zooals bijv. nijver van in ijver.

1898
2021-04-16
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Naarstig

Naarstig bn. bw. (-er, -st), NAARSTIGLIJK, bw. ijverig, vlijtig, werkzaam, leergierig: een naarstig scholier. NAARSTIGHEID, v. vlijt.

1898
2021-04-16
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Naarstig

zie Arbeidzaam.