Wat is de betekenis van mooi?

2019
2021-05-15
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

mooi

mooi - Bijvoeglijk naamwoord 1. (Noord-Nederland) prettig in voorkomen, aangenaam om naar te kijken, schoon. Ze heeft een erg mooi gezichtje. 2. (Noord-Nederland) prettig, aangenaam. Het is mooi weer vandaag. 3. (Noord-Nederlan...

Lees verder
2018
2021-05-15
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

mooi

mooi - bijvoeglijk naamwoord 1. zeer goed ♢het is een mooi feest geweest 1. daar ben je mooi klaar mee [blijk van medeleven als iemand in een nare situatie zit] 2. iemand uitmak...

Lees verder
1998
2021-05-15
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Mooi

1. - gezicht voor een kapotte ruit,schertsend gezegd van een fraai gezicht. Cliché. 2. iets -s,een innige verhouding. Journalistencliché, vaak ironisch gebruikt. Sinds begin jaren tachtig. Zie ook iets hebben met. Iets moois tussen Voorhoeve en Lubbers. (Trouw, 16/04/8) Het gerucht gaat dat Jody een paar jaar geleden iets moois met diezelfde Prin...

Lees verder
1993
2021-05-15
Vreemd Nederlands

Vreemd Nederlands

Mooi

zie mohel

1980
2021-05-15
Blauwe Scheen

Lexicon Beeldende Kunstenaars

Mooi

Zie Mooij/Mooy.

1969
2021-05-15
Pieter Scheen

Rode Scheen: Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1950

Mooi

Mooi - zie Mooij.

1952
2021-05-15
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Mooi

adj. & adv., moai, kreas, tsjep, prûs, bylderich; — droog weer, himmel waer; het -e is er af, de glâns, eare is der ôf; nu is het — genoeg, nou hawwe wy de hichte; niet — zijn voor het oog, gjin oansjen hawwe, net bylkje.

1950
2021-05-15
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Mooi

I. bn bw. (-er, -st), in de Noordnl. spreekt. het gewone woord voor schoon; 1. keurig in zijn voorkomen, met veel zorg opgeschikt: wat ben je mooi vandaag; wie mooi wil zijn moet pijn lijden (zei de meid, en zijn speldde haar muts aan haar oren vast); een hoedje waarmee men enig weken mooi is; — zich mooi maken, zijn opschik in orde br...

Lees verder
1898
2021-05-15
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Mooi

Mooi bn. bw. (-er, -st), wat de zinnen, inz. het gezicht, aangenaam aandoet, schoon, fraai, bevallig, aardig, lief: een mooi vergezicht; eene mooie streek; een mooi meisje met mooi haar en mooie oogen; (ook door uiterlijken opschik) wat heeft hij zich mooi uitgedost vandaag !; — zich mooi maken, zich fraai kleeden, (fig.) pronken met anderman...

Lees verder
1898
2021-05-15
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Mooi

zie Aardig.