2019-10-21

mistroostig

mistroostig - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: mis-troos-tig 1. in een zeer sombere stemming ♢Piet zat mistroostig voor zich uit te staren Bijvoeglijk naamwoord: mis-troos-tig ... is mistroostiger dan ... het mistroostigst de/het mistroostige ... iets mistroostigs <...

2019-10-21

mistroostig

mistroostig - Bijvoeglijk naamwoord 1. depressief stemmend, niet op te vrolijken - Een desolater, mistroostiger aanblik kan ik mij niet voorstellen.blz 73 Vluchtelingenkamp Westerbork
Volume 7 of Westerbork cahiers
Gino Huiskes, Reinhilde van der Kroef, D. Mulder
Uitgeverij Van Gorcum, 1999
ISBN 902323488X, ISBN 9789023234883
- Was de dokter iets kwijtgeraakt op die mistroostige...

2019-10-21

Mistroostig

Mistroostig bn. (-er, -st), zonder troost, troosteloos, diep neerslachtig; niet opgewekt, melancholiek: mistroostig zijn; hij ging mistroostig heen. MISTROOSTIGHEID, v. neerslachtigheid, groote droefheid, moedeloosheid.

2019-10-21

Mistroostig

zie Mismoedig.