Wat is de betekenis van misselijk?

2019
2022-10-06
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

misselijk

misselijk - Bijvoeglijk naamwoord 1. tot braken geneigd Ik heb te veel kersen gegeten, waardoor ik misselijk ben. 2. een nare indruk makend, onuitstaanbaar Wat een misselijke streek is dat! Woordherkomst afgeleid van mis met het achterv...

Lees verder
2018
2022-10-06
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

misselijk

misselijk - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: mis-se-lijk 1. met gevoel in je buik, alsof je moet overgeven ♢hij werd misselijk van al die taart 1. dat is niet misselijk [commentaar van iemand die ergens v...

Lees verder
1952
2022-10-06
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Misselijk

adj., mislik, raer, mâl.

1950
2022-10-06
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Misselijk

bn. bw. (-er, -st), 1. onpasselijk, neiging tot braken hebbend: hij is, wordt misselijk ; — (zegsw.) zo misselijk als een kat; 2. een uiterst onaangename indruk makend, ellendig : een misselijke kerel; hij maakte er een misselijk figuur.

Lees verder
1937
2022-10-06
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

misselijk

bn., bw.; 1. zich niet wel, niet pleizierig gevoelende inz. toegepast op iem., die moet overgeven; onpasselijk: misselijk van de zware sigaar; 2. ongunstig, verkeerd, onaangenaam, ellendig, miserabel; naar: een misselijke boel; wat een misselijke praat, walgelijk! 3. hachelijk, vero.: misselijke omstandigheden.

Lees verder
1930
2022-10-06
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

misselijk

('missələk) bn. en bw. (-er, -st) 1. onpasselijk, geneigd tot overgeven: hij werd van dat bedorven eten. 2. Veroud. hachelijk: in -e omstandigheden. 3. onaangenaam, ellendig: een -e kerel, vent; een heer; -e nukken; een voorval; zeuren.

Lees verder
1911
2022-10-06
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Misselijk

(Got. missa-leiks) is niet afgeleid van mis (z. d. w.); het is nl. een samenstelling van ’t oude missa = verschillend en lika = gedaante (zie Lijk) dus : een verschillende gedaante hebbende, zich niet gelijk blijvend. Dit was ook bij ons de oudste bet., bijv.: ,,Natuur is misselijk', den eenen geeft zij moed, den ander maakt zij vreesach...

Lees verder
1898
2022-10-06
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Misselijk

Misselijk bn. bw. (-er, -st), vreemd, wonderlijk, leelijk: zij is misselijk gekleed; — hachelijk, gevaarlijk: in misselijke omstandigheden verkeeren; het ziet er misselijk uit; — onpasselijk, neiging tot braken hebbend: hij is, wordt misselijk; zoodra ik rook, word ik misselijk; — walglijk: foei! wat een misselijke kerel; hij maak...

Lees verder
1864
2022-10-06
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Misselijk

Misselijk, bn. en bijw. (-er, -st), leelijk; flaauw, kwalijk, onpasselijk; vreemd, raar, wonderlijk, gemelijk, verdrietig; - worden, zich ongesteld gevoelen, buiten kennis geraken. *...HEID, v. (...heden).

Lees verder