Wat is de betekenis van minister?

2020
2022-05-23
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

minister

hoofd van een ministerie. politicus die deel uitmaakt van het kabinet en de regering en aan het hoofd staat van een ministerie, departement; politicus die de verantwoordelijkheid heeft over een ministerie; hoofd van een ministerie. Voorbeelden: 'Een minister die tekent voor een bezuiniging van 143 miljoen euro kijkt naar de tota...

Lees verder
2019
2022-05-23
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

minister

minister - Zelfstandignaamwoord 1. (regering) (beroep) een persoon die deelneemt aan de regering van een land Woordherkomst Afkomstig van het Latijnse minister (dienaar).

Lees verder
2018
2022-05-23
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

minister

minister - zelfstandig naamwoord uitspraak: mi-nis-ter 1. lid van de regering, hoofd van een ministerie ♢Kok is minister van binnenlandse zaken 1. de eerste minister [de premier, leider van de rege...

Lees verder
2005
2022-05-23
Lexicon van het Koninklijk Huis

Auteur: F.J.J. Tebbe

minister

Latijn voor dienaar; de benaming voor de hoogste functionarissen in het staatsbestuur, die in staatsrechtelijke zin direct onder het staatshoofd staan en samen met de staatssecretarissen het kabinet vormen. Bij het begin van de Oranjemonarchie in 1813 waren de bevoegdheden van de ministers beperkt tot advisering aan de vorst en de uitvoering van di...

Lees verder
2004
2022-05-23
lesmethode Memo

Geschiedenisles voor bovenbouw

Minister

Lid van de regering dat een bepaald gebied bestuurt. Bijvoorbeeld een minister van Buitenlandse Zaken of een minister van Economische Zaken.

1994
2022-05-23
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Minister

[Lat. = dienaar; verwant met minor = de mindere] eerste landsdienaar, meestal hoofd van een departement.

1993
2022-05-23
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Minister

hoofd van een departement; hoogste staatsambtenaar; vertegenwoordiger van een staat bij een vreemde mogendheid

1992
2022-05-23
Hoofdlijnen Nederlands Recht

Hoofdlijnen Nederlands Recht

minister

Politiek figuur die zitting heeft in het kabinet en die aan het hoofd staat van en dus leidinggeeft aan een departement (ministerie).

1955
2022-05-23
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Minister

eig, dienaar; hoofd van een departement van staatsdienst; minister-president: voorzitter van de ministerraad; minister-resident: zaakgelastigde van staat of vorst.

1952
2022-05-23
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Minister

s., minister.

1951
2022-05-23
Engels

Woordenboek Engels (1951)

minister

I. minister; gezant; bedienaar des Woords, predikant; dienaar; II. ministreren, de dienst verrichten; dienen; minister to, behulpzaam zijn in, bevorderlijk zijn aan, bijdragen tot; verzorgen; voorzien in; bevredigen; III. verlenen, geven, toedienen.

Lees verder
1950
2022-05-23
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Minister

(<Fr.-Lat.), n_. (-s), 1. eerste staatsdienaar, hoofd van een departement van algemeen bestuur : minister van binnenlandse zaken; eerste minister; minister-president; — minister van staat, eretitel verleend aan staatslieden van bijzondere verdiensten; 2. vertegenwoordiger van een staat bij een vreemde mogendheid : ...

Lees verder
1949
2022-05-23
Woordenboek Latijn

Geschreven door Dr. J.F.L. Montijn

Mĭnistĕr

tri, m. en mĭnistra, ae, f. ondergeschikte = bediende, dienaar, dienares, helper, helpster; bestuurder; begunstiger, handlanger; diaken, diakones.

1949
2022-05-23
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Minister

(Lat., dienaar), oorspr. titel voor de hoogste raadslieden van een vorst. Bij de ontwikkeling van het constitutionele stelsel werd de positie der M. zelfstandiger. Door de invoering der ministeriële verantwoordelijkheid* zijn de M.-s de eigenlijke bestuurders van het land geworden. In Ned. benoemt de koning de M.-s en ontslaat hen naar welgeva...

Lees verder
1948
2022-05-23
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

minister

(Lat.) m. eig. dienaar; hoogste staatsambtenaar, hoofd v. e. der ministeries v. h. staatsbestuur; ~-resident, m. gezant van mindere rang, zaakgelastigde.

1939
2022-05-23
Humoristisch woordenboek

Amusant-Zorgenverdrijvend Woordenboek (De Kolibri)

Minister

Valt, zonder hulp van bananenschil.

1937
2022-05-23
Scholastiek Lexicon

Latijns-Nederlandsch

MINISTER

Dienaar, bedienaar. Minister extraordinarius, Buitengewoon bedienaar. Minister legitimus, Wettelijk bedienaar. Minister necessitatis, Bedienaar in geval van nood. Minister ordinarius, Gewoon bedienaar. Minister principalis, Hoofdbedienaar. Minister secundarius, Ondergeschikt bedienaar (SAKRAMENTENLEER).

1937
2022-05-23
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

minister

m. -s; (Fr. ministre, Lat. minister): eerste staatsdienaar, onmiddellijk onder het hoofd van de uitvoerende macht aan het staatsbestuur deelnemende, hoofd v. e. departement: de minister van Onderwijs; minister van staat, eretitel (vroeger alleen: minister).

1933
2022-05-23
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Minister

eerste dienaar v/d Staat, onmiddellijk o/li Staatshoofd staand hoofd v/e departement of → ministerie, uitvoerder v/d wetten en besluiten, verantwoordelijk jegens de volksvertegenwoordiging. De m/s vormen samen _ het kabinet of den m.-raad, onder leiding v/d m.-president of premier.

1933
2022-05-23
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Minister

(Lat., = dienaar) (staatsrecht), in Ned. het hoofd van een departement van bestuur. De m. worden benoemd en ontslagen door den Koning. ➝ Parlementair stelsel. In België zijn de m. in het grondwettelijk stelsel de noodzakelijke en verantwoordelijke helpers van den Koning voor wat betreft het bestuur van het land en tevens de schakel tusschen he...

Lees verder