Wat is de betekenis van mild?

2023-03-31
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

mild

mild - Bijvoeglijk naamwoord 1. zachtaardig, welwillend Hij is een milde man. 2. gul. Zij doet milde giften. 3. zacht. Ik heb laatst nog milde shampoo gekocht. Antoniemen [1] streng

Lees verder
2023-03-31
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

mild

mild - bijvoeglijk naamwoord 1. met zorg en aandacht voor anderen ♢zij is erg mild in haar omgang met anderen 2. wie gemakkelijk iets weggeeft ♢een milde gever heeft ons €1000 geschonken ...

Lees verder
2023-03-31
Verklarend woordenboek Wijnetiketten.

Douwe Brongers & Martijn Lutjenhuis (2011)

Mild

(Alg) Een smaak die niet overheerst.

2023-03-31
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Mild

adj. & adv., myld; (vrijgevig), gol goederjowsk, rynsk, foldiedich, -dedich, romhannich.

2023-03-31
Woordenboek Engels (EN-NL)

Dr. F.P.H. van Wely (1951)

mild

zacht (aardig); goedaardig [ziekte]; zwak, flauw; matig; licht [sigaar].

2023-03-31
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Mild

bn. bw. (-er, -st), 1. zachtaardig, welwillend: het hart mild stemmen; een mild verwijt; — niet streng: de milde toepassing der wetten; 2. (van de natuur en haar verschijnselen) zacht, weldadig: een milde regen; — milde grond, zachte, kruimelige grond die zich gemakkelijk laat bewerken; milde humus...

Lees verder
2023-03-31
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

mild

bn., bw.; 1. zacht, in deze bet. als germ. gevoeld; welwillend, inschikkelijk, genadig: een milde regen; Gods milde zegen; 2. onbekrompen, vrijgevig, gul, niet karig: een milde gever; de winnende hand is mild.

Lees verder
2023-03-31
Jozef Verschueren

Jozef Verschueren (1930)

mild

(milt) bn. en bw. (-er, -st) [~ Lat. mollis, week] 1. zacht : een -e inborst hebben; een reglement in -e zin toepassen; een -e slaap; iemand behandelen; straalde zijn liefde. 2. gemakkelijk gevend, goedgeefs : een -e weldoener; jegens de behoeftigen; met toelagen, met zién bloed; de winnende hand is -; een gemoed; aalmoezen uitdelen. ➝ hand...

Lees verder
2023-03-31
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Mild

Mild bn. bw. (-er, -st), MILDELIJK, bw. niet karig, vrijgevig: de winnende hand is mild; wij brengen onzen dank aan den milden gever; — hij is niet mild met zijne woorden, hij spreekt weinig, zegt niet veel; — hij is mild in ’t uiten zijner geheimen, openhartig; — eene milde bui hebben; — milde giften, niet karig;...

Lees verder
2023-03-31
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Mild

Mild, bn. en bijw. (-er, -st), *-ELIJK, bijw. niet karig, mededeelzaam, rijkelijk; vrijgevig; zacht, week; inschikkelijk, niet streng; (fig.) vruchtdragend; de -e (niet strenge) toepassing der wetten; eene -e (ruime) ondersteuning. *-DADIG, bn. en bw. (-er, -st), *-LIJK, bijw. edel-, grootmoedig, weldoende. *-DADIGHEID, v. vrijgevigheid; weldad...

Lees verder