Wat is de betekenis van mikmak?

2020
2021-12-07
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

mikmak

Het begrip mikmak heeft 4 verschillende betekenissen: 1) mengelmoes. verzameling van zeer uiteenlopende zaken; mengelmoes; allegaartje; ratjetoe. 2) ongeordende massa. chaotische, ordeloze massa dingen. Uitsluitend in de verbinding de hele mikmak. 3) 'enorm' in enige verbindingen. enorm. Met bijwoordelijke...

Lees verder
2020
2021-12-07
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

mikmak

1) (1823) (inf.) zooi, rommel. 'De hele mikmak': de hele reutemeteut*. Vgl. het Franse micmac of miquemaque (al in de 17de eeuw bekend). Volgens Vercouillie (Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal. 1925) zouden we hier te maken hebben met een reduplicatie met ablaut van de stam van `maken' in ongunstige betekenis. Bij de infanterie...

Lees verder
2019
2021-12-07
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

mikmak

mikmak - Zelfstandignaamwoord 1. grote rotzooi, ongeordende massa Hij heeft de hele mikmak maar achter in zijn auto gesmeten en is weggereden. Het overgrote deel van de Turks-Nederlandse jongeren zou religieus geweld steunen en sympathie hebben voor Syriegangers. Kan n...

Lees verder
2018
2021-12-07
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

mikmak

mikmak - zelfstandig naamwoord uitspraak: mik-mak 1. rommelige, vieze boel ♢ik heb de hele mikmak in de vuilnisbak gegooid Zelfstandig naamwoord: mik-mak de mikmak Synoniemen troep, rommel, b...

Lees verder
2017
2021-12-07
Soldaten

Jargon & Slang van Soldaten

Mikmak

Mikmak - de hele mikmak: de hele boel. Uitdr. gebruikt bij de infanterie omstreeks 1913, maar het woord werd al veel eerder, in de 18de eeuw, opgetekend in de zin van mengelmoes, rommel, onenigheid. Het zou volgens sommigen ontleend zijn aan het 17de-eeuwse Franse woord micmac, volgens anderen aan het Mnl. woord mutemaque = muitmakerij. Vercouille...

Lees verder
1998
2021-12-07
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Mikmak

1. de hele-,de hele zooi, rommel. Vgl. het Franse micmacof miquemaque(al in de 17de eeuw bekend). Volgens Vercouillie: Beknopt Etymologisch Woordenboek derNederlandsche Taal(1890) zouden we hier te maken hebben met een reduplicatie met ablaut van de stam van ‘maken’ in ongunstige bet. Bij de infanterie (periode 1860 -1885) werd mikmakgebruikt in de...

Lees verder
1997
2021-12-07
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

mikmak

De verwensing krijg het mikmak! gaat zoals laat ze de mikmak krijgen! uit van de letterlijke betekenis van mikmak, te weten ‘mankement’; zie Van Dale13. De emotionele is duidelijk ‘ik heb een vreselijke hekel aan je, maak dat je wegkomt’. Vgl. Bolhuis (1937), die spreekt van een ziekteverwensing en als l...

Lees verder
1955
2021-12-07
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Mikmak

moeilijkheid, twist, ruzie; herrie; feil, gebrek

1952
2021-12-07
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Mikmak

s., mikmak (it), mykmak (it).

1950
2021-12-07
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Mikmak

v., 1. warboel, rommel: — de hele mikmak, de hele boel; 2. (Zuidn.) gekonkel, geknoei; 3. (niet alg.) onenigheid: zij zijn lang eensgezind geweest, maar nu is er mikmak.

Lees verder
1937
2021-12-07
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

mikmak

m. -makken; onenigheid, zwarigheid; rommel, boel, zootje; Z.-N. gekonkel; Z.-N. poespas, warboel: er is een mikmak, er hapert iets; de hele mikmak verkopen.

1925
2021-12-07
Nederlandse spreekwoorden

Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (1923-1925) door F.A. Stoett

Mikmak

D.i. mengelmoes, rommel, oneenigheid, mankement, gekonkel (Zuidndl.); fr. micmac, nd. mickmack (ook adverbiaal: datsteit mickmack, von einer unleserlichen Handschrift), koeskas, naast mick und mack. Volgens de woordenboeken is het ndl. mikmak, dat eerst in de 18de eeuw is opgeteekend, ontleend aan 't fr. micmac,...

Lees verder
1916
2021-12-07
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Mikmak

Mikmak, - een N-Amerikaansche Indianenstam, behoorende tot de Algonkische taalfamilie. Eertijds bewoonde hij Nova Scotia, Kaap Breton en de Prince Edward-eilanden, het Noordelijk deel van New Brunswick en waarschijnlijk ook sommige streken in Z.- en W.-Newfoundland. Vermoedelijk zijn zij reeds omstreeks 1500 met de blanken in aanraking gekomen. Zij...

Lees verder
1898
2021-12-07
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Mikmak

Mikmak v. dat geeft maar mikmak, eene minder aangename verstandhouding, gezeur.