Mijn
I. bez. vnw. van de 1ste pers. enk., 1. bijv.: mijn moeder, mijn zonen en dochteren; — mijns bedunkens, oordeels, inziens, naar mijn mening, zoals ik de zaak inzie; — in dicht, taal ook achter een zn.: kindje mijn; mijn trein gaat om 9.02, die waarmee ik vertrekken wil; — in verb. met een aanspreekvorm:...