Wat is de betekenis van mij?

2019
2022-09-29
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

mij

mij - Persoonlijk voornaamwoord 1. accusatief en datief van ik, eerste persoon enkelvoud. Hij ontsloeg mij''. Hij gaf mij een baan''. 2. vorm van ik na een voorzetsel. Van mij hoef je niets te vrezen....

Lees verder
2018
2022-09-29
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

mij

mij - voornaamwoord 1. eerste persoon enkelvoud, wederkerend ♢ik heb mij vergist 2. eerste persoon enkelvoud, object ♢geef je mij niets? Voornaamwoord: mij Synoniemen me, me...

Lees verder
1952
2022-09-29
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Mij

pron., my, mij.

1950
2022-09-29
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Mij

3de en 4de nv. enk. van het pers. vnw. ik: hij had het mij gegeven; ik heb mij gebrand.

1937
2022-09-29
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

mij

voorwerpsvorm van ik.

1930
2022-09-29
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

Mij

afkorting van : maatschappij.

1898
2022-09-29
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Mij

Mij pers. vnw. enk. 3e en 4e nv. van ik: hij had het mij gegeven; ik heb mij gebrand.

1864
2022-09-29
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Mij

Mij, pers. vnw.