Wat is de betekenis van Mieteren?

2024-06-19
Prisma Groot Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2024)

2024-06-19
Algemeen Nederlands Woordenboek

Algemeen Nederlands Woordenboek (2009-heden)

mieteren

Het begrip mieteren heeft 2 verschillende betekenissen: 1) smijten. met geweld gooien; smijten. Vaak met de bijgedachte dat dit in woede of op achteloze wijze gebeurt. Steeds met een voorzetselbepaling die dienst doet als bijwoordelijke bepaling van richting. 2) vallen. vallen; tuimelen. Vaak met de bijgedachte dat dit plot...

2024-06-19
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

mieteren

1) (19e eeuw) (inf.) gooien, smijten; vallen. Vgl. besjoeren*; bonjouren*; donderen*; donderstenen*; donderstralen*; flatsen*; flikkeren*; flikkerstralen*; jensen (jenzen)*; jetsen*; jonassen*; kankeren*; ketsen*; kieperen*; knikkeren*; kukelen*; kwakken*; lazeren*; lazerstralen*; peunen*; pleuren*; rotten*; sodeflikkeren*; sodehannesen*; sodekan...

2024-06-19
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

mieteren

mieteren - Werkwoord Woordherkomst verkorting van sodemieteren Synoniemen [1] gooien, smijten, flikkeren, kieperen, smakken, tuimelen, vallen, keilen, kieperen [2] zeuren, zaniken

2024-06-19
Jargon & Slang van Politieagenten en rechercheurs

Marc De Coster (2017)

Mieteren

Mieteren - Antwerps slang van taxichauffeurs en agenten: het oppikken van klanten waar men dat niet mag.

2024-06-19
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc de Coster (1998)

Mieteren

kunnen schelen, als in het kan mij niet mieteren; het mietert mij niks‘het kan mij niets schelen; het maakt niets uit voor mij’. Syn.: datzal me aan mijn kont/reet/rugroesten.

2024-06-19
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Mieteren

I. (mieterde, heeft gemieterd) uitmaken, schelen: het kan me niet mieteren; dat mietert niet, komt er niet op aan; II. (mieterde, heeft en is gemieterd), (plat) 1. werpen, met geweld smijten: iets tegen de grond mieteren; 2. vallen, tuimelen: ik mieterde naar beneden.

2024-06-19
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

mieteren

I. mieterde, heeft (1), is (2) gemieterd; 1. gooien, smijten: iem. de deur uit mieteren; 2. met geweld, tuimelend vallen: hij is van de trap gemieterd; plat. II. zie mieter (II): zegsw. wat kan ’t mij mieteren! schelen; plat.

Wil je toegang tot alle 11 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-06-19
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

mieteren

('mi:tərən) (mieterde, gemieterd) Plat. I. [mieter I] 1. (heeft) smijten : iemand eruit -. 2. (is) tuimelen : hij mieterde naar beneden. II. (heeft) [mieter II] schelen : dat kan hem niets -.