Wat is de betekenis van meubelstuk?

2020
2021-06-21
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

meubelstuk

(2013) (spot.) iemand die frequent aanwezig is in een bepaald uitgaansetablissement. Vgl. tot het meubilair* behoren. • Flip kijkt rechts van hem in het gezicht van Janus Zuiderwijk, het vaste meubelstuk. (P. Waterman: De succulentenkweker. 2007) • (Heidi Aalbrecht & Pyter Wagenaar: Woordenboek van het Algemeen Onbeschaafd Nederlands...

Lees verder
2019
2021-06-21
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

meubelstuk

meubelstuk - Zelfstandignaamwoord 1. voorwerp dat behoort tot de inrichting van een kamer, zoals een bank, stoel, tafel, kast, bed etc Woordherkomst samenstelling van meubel en stuk Synoniemen meubel Verwante begrippen meubilair, meubileren

Lees verder
2018
2021-06-21
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

meubelstuk

meubelstuk - zelfstandig naamwoord uitspraak: meu-bel-stuk 1. voorwerp voor in de huiskamer ♢dit meubelstuk is nog van opa geweest Zelfstandig naamwoord: meu-bel-stuk het meubelstuk de meubelst...

Lees verder
1973
2021-06-21
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

meubelstuk

o. (-ken), 1. meubel; 2. lastig persoon; iemand die lang met een familie of instelling verbonden is.

Lees verder
1950
2021-06-21
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Meubelstuk

o. (-ken), meubel: een kostbaar meubelstuk; (fig.) een raar meubelstuk, een vreemdsoortig mens.