Meten
(mat, heeft gemeten) 1. bepalen hoeveel malen een zekere grootheid (de maat) in een voorwerp begrepen is, de grootheid van iets —, iets naar zijn grootheid bepalen: de lengte, de hoogte meten; land meten; die koopman meet nog met de oude el; — (fig.) met twee maten meten, niet onpartijdig te werk gaan; — hi...