Wat is de betekenis van met?

2020
2022-08-15
Redactie Ensie

Fitness begrippen omschreven

MET

Een maateenheid van zuurstofconsumptie. Een MET komt ongeveer overeen met de hoeveelheid zuurstof die per minuut wordt verbruikt door een persoon in rust. Een persoon die traint met twee METs, verbruikt tweemaal zoveel zuurstof als in rust.

Lees verder
2019
2022-08-15
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

met

met - Voorzetsel 1. en daarbij 's Ochtends eten we brood met beleg. 2. in gezelschap van Ik ga met hem mee. 3. als partner hebbende Morgen zal ik er met m'n manager over spreken. 4. als gevoel hebbe...

Lees verder
2018
2022-08-15
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

met

met - voorzetsel, bijwoord 1. iets of iemand erbij ♢we gaan met Peter naar het strand 1. met dank aan Jan de Wit [wij bedanken hem] 2. met wie spreek ik? ...

Lees verder
2017
2022-08-15
Soldaten

Jargon & Slang van Soldaten

Met

Met - Vlaamse afkorting van méteo = weerkundige dienst.

2001
2022-08-15
Internet woordenboek

Uitgave 2001 [draft]

MET

Mean European Time of Midden Europese Tijd. De tijdzone die ook in Nederland geldt. MET scheelt in wintertijd +1 uur en in zomertijd +2 uur met GMT. Zie ook GMT.

Lees verder
1993
2022-08-15
Peter Timofeeff

Prisma van het Weer

MET

Zie: Midden-Europese Tijd

1973
2022-08-15
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

met

I. vz., 1. ter aanduiding van een vereniging of begeleiding; in gezelschap van: mag ik met u meegaan?; hij is met de kas op de loop gegaan, de kas bij zich hebbend; tot en met vers 6, vers 6 erbij ingesloten; 2. ter aanduiding van een vermeerdering of optelling: met hem erbij zijn er zeven; één nieuwe haring met (uitjes); bij het ter...

Lees verder
1955
2022-08-15
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Met

o., gehakt vlees; metworst: vleesworst.

1952
2022-08-15
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Met

praep., mei; — zijn drieën, mei ús (jim, har) trijen, trije man sterk, trijer(e)som.

1951
2022-08-15
Engels

Woordenboek Engels (1951)

met

V.T. V.D. v. 2. meet.

1950
2022-08-15
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Met

I. MET o., gehakt (varkens)vlees. II. MET v. (-ten), landmaat in Zeeland. III. MET v. (-ten), mette, v. (-n), (gew.) geit. IV. MET I. vz., 1. ter aanduiding van een vereniging of begeleiding, in gezelschap van: mag ik met u meegaand ; kom met mij; met elkander eten, reizen; — hij is met de kas op de loop gegaan, de...

Lees verder
1949
2022-08-15
Woordenboek Latijn

Geschreven door Dr. J.F.L. Montijn

Mĕt

een suffix, achter de pron. personalia en possessiva gevoegd, om ons „zelf”, „eigen” uit te drukken.

1937
2022-08-15
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

met

I. 1. vz.: schrijven met een pen, door middel van; met iemand gaan, hem vergezellen; met geweld, door; laat hem met vrede, in; met iets bezig zijn, aan; 2. bw.: met komt een knaap gelopen, tegelijkertijd. II. o.; gehakt varkensvlees; gew. en in samenstellingen; zie metworst.

Lees verder