Wat is de betekenis van met?

2024-02-23
Fitness begrippen omschreven

Redactie Ensie (2020)

MET

Een maateenheid van zuurstofconsumptie. Een MET komt ongeveer overeen met de hoeveelheid zuurstof die per minuut wordt verbruikt door een persoon in rust. Een persoon die traint met twee METs, verbruikt tweemaal zoveel zuurstof als in rust.

2024-02-23
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

met

met - Voorzetsel 1. en daarbij 's Ochtends eten we brood met beleg. 2. in gezelschap van Ik ga met hem mee. 3. als partner hebbende Morgen zal ik er met m'n manager over spreken. 4. als gevoel hebbe...

2024-02-23
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

met

met - voorzetsel, bijwoord 1. iets of iemand erbij ♢we gaan met Peter naar het strand 1. met dank aan Jan de Wit [wij bedanken hem] 2. met wie spreek ik? ...

2024-02-23
Jargon & Slang van Soldaten

Marc De Coster (2017)

Met

Met - Vlaamse afkorting van méteo = weerkundige dienst.

Wil je toegang tot alle 19 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-23
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema (2003)

met

- met zijn voornaam noemen, bij zijn voornaam. - met twee(ën)/drie(ën)/vier(en) enz. zijn, met zijn tweeën, drieën, vieren enz. - iets met de post opsturen, iets per post opsturen. - iemand trakteren met een pint, iemand trakteren op een pilsje.

2024-02-23
Internet woordenboek

Ensie (2001)

MET

Mean European Time of Midden Europese Tijd. De tijdzone die ook in Nederland geldt. MET scheelt in wintertijd +1 uur en in zomertijd +2 uur met GMT. Zie ook GMT.

2024-02-23
Prisma van het weer

Peter Timofeeff (1993)

MET

Zie: Midden-Europese Tijd

2024-02-23
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

met

deur middel van, deur, in, aan, vergesel van.

2024-02-23
De vreemde woorden

Fokko Bos, Dr. O. Noordenbos (1955)

Met

o., gehakt vlees; metworst: vleesworst.

2024-02-23
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Met

praep., mei; — zijn drieën, mei ús (jim, har) trijen, trije man sterk, trijer(e)som.

2024-02-23
Woordenboek Engels (EN-NL)

Dr. F.P.H. van Wely (1951)

met

V.T. V.D. v. 2. meet.

2024-02-23
Duits woordenboek (DU-NL)

Dr. H. W. J. Kroes (1951)

Met

mede (drank).

2024-02-23
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Met

I. MET o., gehakt (varkens)vlees. II. MET v. (-ten), landmaat in Zeeland. III. MET v. (-ten), mette, v. (-n), (gew.) geit. IV. MET I. vz., 1. ter aanduiding van een vereniging of begeleiding, in gezelschap van: mag ik met u meegaand ; kom met mij; met elkander eten, reizen; — hij is met de kas op de loop gegaan, de...

2024-02-23
Woordenboek Nederlands -Latijn

Dr. J.F.L. Montijn (1949)

Mĕt

een suffix, achter de pron. personalia en possessiva gevoegd, om ons „zelf”, „eigen” uit te drukken.

2024-02-23
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

met

I. 1. vz.: schrijven met een pen, door middel van; met iemand gaan, hem vergezellen; met geweld, door; laat hem met vrede, in; met iets bezig zijn, aan; 2. bw.: met komt een knaap gelopen, tegelijkertijd. II. o.; gehakt varkensvlees; gew. en in samenstellingen; zie metworst.

2024-02-23
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

met

I. vz. [mede] 1. bij: jammer en dood draagt hij zich om. 2. in gezelschap van: iemand vertrekken; ga je ons mee? elkander; samen hem of hem samen. 3. ter aanduiding van een wederkerige handeling: iemand spreken, spelen, vechten. 4. ter aanduiding van deelneming, hulp: zich iemand verblijden; God zij u. 5. inbegrepen: het schip verging - man en...

2024-02-23
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

met

I. vz., 1. ter aanduiding van een vereniging of begeleiding; in gezelschap van: mag ik met u meegaan?; hij is met de kas op de loop gegaan, de kas bij zich hebbend; tot en met vers 6, vers 6 erbij ingesloten; 2. ter aanduiding van een vermeerdering of optelling: met hem erbij zijn er zeven; één nieuwe haring met (uitjes); bij het ter...

2024-02-23
De vreemde woorden

Fokko Bos (1914)

met

met - o., gehakt vleesch; „metworst”, vleeschworst.

2024-02-23
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Met

Met, vz. ik zal - u gaan, ik zal u vergezellen; - (tot) iem. spreken; - (door) geweld; - (in) vrede; - (aan) iets bezig zijn; - elkander, te zamen, gezamenlijk. *-, o. gehakt vleesch, inz. gehakt van versch varkensvleesch. *-, v. (-ten), *-TE, v. (-n), geit.