Menist
(mennoniet) doopsgezinde; doopsgezind
Benieuwd hoe Ensie en Prisma digitale woordenboeken jouw lessen kunnen versterken?
M. J. Koenen's (1937)
1. m. -en; doopsgezinde, eig. volgeling van Menno Simonsz., 1496-1561, tot 1535 pastoor v. Witmarsum in Friesland; 2. bn.; doopsgezind: die familie is Menist. (e = ә).
Jozef Verschueren (1930)
(me'nist) 1. m. (-en) doopsgezind aanhanger van Menno Simonsz. 2. bn. doopsgezind.
Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)
[Menno Simonsz.], I. m. (-en), (ook: menoniet), doopsgezinde; II. bn.,doopsgezind: de meniste Kerk.
I.M. Calisch (1864)
Menist, m. (-en), mennoniet, doopsgezinde, lid van de kerkelijke gemeente naar de leer van Menno Simons. *-ENBLAAUW, bn. hemelsblaauw (zek. kleur). *-ENKERK, v. (-en). *-ENSTREEK, v. (...eken), (fig.) list, looze streek.
Gerelateerde zoekopdrachten
Log hier in om direct te kunnen beginnen met schrijven.
Wil je dit begrip toevoegen aan je favorieten? Word dan snel vriend van Ensie en geniet van alle voordelen: