Wat is de betekenis van Menist?

2025-12-17
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks (1993)

Menist

(mennoniet) doopsgezinde; doopsgezind

2025-12-17
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

Menist

1. m. -en; doopsgezinde, eig. volgeling van Menno Simonsz., 1496-1561, tot 1535 pastoor v. Witmarsum in Friesland; 2. bn.; doopsgezind: die familie is Menist. (e = ә).

2025-12-17
Vreemde woordenboek

S. van Praag (1937)

Menist

m. doopsgezinde.

2025-12-17
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

menist

(me'nist) 1. m. (-en) doopsgezind aanhanger van Menno Simonsz. 2. bn. doopsgezind.

2025-12-17
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

menist

[Menno Simonsz.], I. m. (-en), (ook: menoniet), doopsgezinde; II. bn.,doopsgezind: de meniste Kerk.

2025-12-17
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Menist

Menist bn. doopsgezind: ik ben menist, behoor tot de meniste kerk.

2025-12-17
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Menist

Menist, m. (-en), mennoniet, doopsgezinde, lid van de kerkelijke gemeente naar de leer van Menno Simons. *-ENBLAAUW, bn. hemelsblaauw (zek. kleur). *-ENKERK, v. (-en). *-ENSTREEK, v. (...eken), (fig.) list, looze streek.

2025-12-17
Prisma Fries Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2025)

2025-12-17
Prisma Groot Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2025)