Wat is de betekenis van Menig?

2019
2022-10-06
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

menig

menig - Onbepaald voornaamwoord 1. meer dan een Zij sloegen menige aanval af. De discussie doet in menig dorp de gemoederen hoog oplopen. Verwante begrippen verscheidene, enkele, diverse

Lees verder
2018
2022-10-06
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

menig

menig - voornaamwoord uitspraak: me-nig 1. een vrij groot aantal ♢menig onderwijzer heeft moeite met rekenen Voornaamwoord: me-nig menige

Lees verder
2004
2022-10-06
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

menig

in België ook gebruikt met een meervoud - menige jaren, menig jaar, heel wat jaren. Zijn productie ligt zelfs hoger dan die van menig vakgenoot in actieve dienst. - DS, 29-08-2002.

Lees verder
1973
2022-10-06
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

menig

onbep. telw. of bn., verscheidene, veel meer dan één (steeds gevolgd door een zelfst. nw. in het enk.): menig uur ben ik er geweest; ik heb menige slapeloze nacht doorgebracht; in menig opzicht wordt dit bevestigd.

1952
2022-10-06
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Menig

num., mennich, mannich.

1950
2022-10-06
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Menig

onbep. telw. of bn., verscheidene, veel meer dan een (steeds gevolgd door eenzelfst. nw. in het enk.): menig mens; menig uur ben ik er geweest; ik heb menige slapdoze nacht doorgebracht; in menig opzicht wordt dit bevestigd.

1937
2022-10-06
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

menig

onbep. telw. gevolgd door een zn. in het enkelv. (veel meer dan één): menig mens; er menig uur doorbrengen, verscheiden uren.

1930
2022-10-06
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

menig

('me:nəch) onbepaald telw. (steeds gevolgd door een zelfst. nw. in het enk.) meer dan één, verscheidene: zo mens; zo hoofd; gelukkig jaar. Syn. → enig.

1898
2022-10-06
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Menig

Menig telw. verscheidene, veel meer dan een (steeds gevolgd door een zelfst. naamw. in het enkelvoud): menig mensch; menig uur ben ik er geweest; ik heb menig slapeloozen nacht doorgebracht; in menig opzicht wordt dit bevestigd.

1898
2022-10-06
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Menig

zie Eenige.

1864
2022-10-06
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Menig

Menig, bn. verscheidene, onderscheidene; -en zijn er, men vindt verscheidene lieden; -een, verscheidene personen. *-ERHANDE, *-ERLEI, bn. en bijw. van verschillende soort; op verschillende wijze. *-MAAL, *-WERF, bijw. menige reis, verscheidene malen of keeren. *-TE, v. gmv. groote hoeveelheid; massa. *-VOUD, bn. en bijw. verscheidene malen. *...

Lees verder