Wat is de betekenis van menen?

2019
2022-11-29
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

Menen

Menen - Eigennaam 1. (toponiem) stad in de provincie West-Vlaanderen in België

Lees verder
2018
2022-11-29
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

menen

menen - regelmatig werkwoord uitspraak: me-nen 1. het in je gedachten hebben ♢ik meen dat hij drie kinderen heeft 2. serieus bedoelen wat je zegt ♢ik vind het mooi hoor, ik meen het! ...

Lees verder
1981
2022-11-29
Geschiedenis Lexicon

H.W.J. Volmuller (1981)

Menen

(Fr.: Menin). Belg. stad in West-Vlaanderen aan de Leie op de grens van Frankrijk. Door de ligging tussen de Zuidelijke Nederlanden en Frankrijk vroeger verdedigings- en garnizoensstad. In de 16e eeuw belangrijke lakenmarkt. In de Tachtigjarige Oorlog 1578 bezet door Montigny, een der → Malcontenten, in zijn strijd tegen de calvinisten; 1583 v...

Lees verder
1973
2022-11-29
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

menen

(meende, heeft gemeend), (overg.), 1. op iets of iemand het oog hebben met een bepaald gezegde: meent u mij daarmee?; 2. het voornemen hebben iets te doen: ik meen vandaag nog te vertrekken; 3. juist van plan zijn, op het punt zijn een handeling te volbrengen: als hij meende haar te grijpen, was ze weg; 4. bedoelen: hij zegt ja, maar meent neen;...

Lees verder
1952
2022-11-29
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Menen

v., miene, leauwe, tinke; het goed met iem. —, it goed mei immen foar hawwe, it immen goed miene; hij meent het niet ernstig, it giet (by him) boppe it hert ôf.

1950
2022-11-29
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Menen

(meende, heeft gemeend), 1. op iets of iem. het oog hebben met een zeker gezegde: meent u mij daarmee? 2. (ongew.) het voornemen hebben iets te doen: ik meen vandaag nog te vertrekken; 3. juist van plan zijn, op het punt zijn een handeling te volbrengen: als hij meende haar te grijpen, was ze weg; 4. bedoelen: hij zegt ja...

Lees verder
1937
2022-11-29
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

menen

meende, heeft gemeend; 1. de dunk hebben, vermoeden, het er voor houden: ik meende, dat vader kwam; 2. bedoelen i. ernst: ik meen het ditmaal; 3. van plan zijn, op het punt zijn een handeling te volbrengen: ik meende juist weg te gaan, toen...; nog: het wel met iem. menen, hem genegen zijn.

Lees verder