2020-02-19

meervoud

meervoud - Zelfstandignaamwoord 1. woord dat in die vorm aan meerdere voorwerpen, mensen of dieren refereert Woordherkomst Afgeleid van meer met het achtervoegsel -voud Verwante begrippen enkelvoud, tweevoud, dualis

2020-02-19

meervoud

meervoud - zelfstandig naamwoord uitspraak: meer-voud 1. vorm die je gebruikt om aan te geven dat het om meer dan één persoon of ding gaat ♢het meervoud van 'kip' is 'kippen' Zelfstandig naamwoord: meer-voud het meervoud de meervouden

2020-02-19

Meervoud

(gramm.), ➝ Getal (sub 4°).

2020-02-19

meervoud

('me:r) o. (-en) 1. Eig. woordvorm, getal om meer dan één wezen of zaak uit te drukken : het van een woord geven; in het staan; het vormen; genitief onzijdig -; derde persoon -. 2. Metn. gezamenlijke vormen van een woord of een soort van woorden die meervoud zijn : in al de naamvallen van het -. Tgst. enkelvoud.