Wat is de betekenis van matigen?

2019
2022-10-01
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

matigen

matigen - Werkwoord 1. (ov) minder uitbundig of extreem optreden Hij heeft zijn kritiek inmiddels flink gematigd. Woordherkomst Afgeleid van matig met het achtervoegsel -en Verwante begrippen beteugelen, inhouden, onderdrukken

Lees verder
2018
2022-10-01
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

matigen

matigen - regelmatig werkwoord uitspraak: ma-ti-gen 1. je beheersen, niets zeggen, terwijl je dat graag zou willen ♢je moet je hier wel een beetje matigen, hoor! 1. matig je wat! [doe eens wat kalmer aan!...

Lees verder
1973
2022-10-01
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

matigen

(matigde, heeft gematigd), (overg.) 1. binnen de juiste maat brengen of houden, intomen, beteugelen: zijn drift, zijn toorn-; 2. zich -, zich inhouden; zijn hartstochten, zijn begeerten beheersen; m.n. zich niet heftig uiten; 3. verzachten, verminderen; lenigen: de wind heeft de hitte wat gematigd.

Lees verder
1952
2022-10-01
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Matigen

v.; zich —, jin ynbine, jin bidimje.

1950
2022-10-01
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Matigen

(matigde, heeft gematigd), 1. binnen de juiste maat brengen of houden, intomen, beteugelen: zijn drift, zijn toorn matigen; 2. zich matigen, zich inhouden: zijn hartstochten, zijn begeerten beheersen; 3. verzachten, verminderen; lenigen: de wind heeft de hitte wat gematigd; de tijd zal zijn droefheid, zijn smart wel matigen.

Lees verder
1937
2022-10-01
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

matigen

matigde, heeft gematigd; binnen de maat, binnen zekere perken houden; verzachten, verminderen: zijn toorn matigen, zijn eisen matigen; refl. zich matigen, zich inhouden.

1930
2022-10-01
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

matigen

('ma:təgən) (matigde, heeft gematigd) 1. tot een zekere maat behoorlijk verlagen: de hitte -. 2. niet al te sterk laten worden: om zijn gestrengheid enigszins te -. 3. binnen de juiste maat houden, er niet aan toegeven : zijn drift, zich —. Syn.→ bedwingen.

Lees verder
1898
2022-10-01
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Matigen

Matigen (matigde, heeft gematigd), binnen de juiste maat houden, intoomen, beteugelen: zijn drift, zijn toorn matigen; —verzachten, verminderen; lenigen de wind heeft de hitte wat gematigd; de tijd zal zijn droefheid, zijne smart wel matigen; — zich matigen, zich inhouden; zijne hartstochten, zijne begeerten beheerschen. MATIGING, v. h...

Lees verder