Mangel
I. o., (ouderw.) 1. gebrek, fout; 2. gebrek (aan iets), ontstentenis, afwezigheid: bij mangel van vertrouwen. II. m. (-s), toestel met tegen elkaar draaiende cylinders om stoffen (inz. gewassen linnengoed) daartussen glad te maken; — een dergelijk toestel waarmee bij de fabricage van dakpannen een kleistrook wordt verkregen waaruit d...