Wat is de betekenis van manchet?

2020
2021-02-25
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

manchet

1) (1990+) (comp.) personal computer. • Ik heb gisteren over de manchet een rekensom gemaakt. (NRC Handelsblad, 17/06/1994) 2) (19e eeuw) (sold.) (steeds meervoud) handboei. Volgens Van Ginneken was deze term al gebruikelijk bij de infanterie in de periode 1860-1885. Syn.: bracelet*; menot*; paternoster*. • Manchetten, (mi...

Lees verder
2019
2021-02-25
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

manchet

manchet - Zelfstandignaamwoord 1. een dubbele of stevige stof aan rond de opening van de mouw of hals 2. hulpstuk om een granaat op zijn plaats te houden in een kanonloop Verwante begrippen manchetknoop

Lees verder
2018
2021-02-25
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

manchet

manchet - zelfstandig naamwoord uitspraak: man-sjet 1. boord aan een mouw bij een overhemd of blouse ♢de rand van de manchet kwam net onder het jasje uit 2. schuimrand op een glas bier ♢er zat e...

Lees verder
2002
2021-02-25
Lexicon voor de kunstvakken

Verklaringen van woorden die gebruikt worden in teksten over kunst.

manchet

Een manchet is een omslag aan mouw of handschoen.

1990
2021-02-25
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

manchet

manchet - Stoffering die over de leuningen van een zetel is gemaakt.

1973
2021-02-25
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

manchet

[⟶Fr.], v./m. (-ten), 1. handboord aan een overhemd of blouse →: vaste, losse manchetten; 2. (scherts.) handboei: iemand de manchetten aandoen; 3. ring voor waterof luchtdichte afsluiting; 4.(plantkunde) ring of verdikking van de steel van paddestoelen onder de hoed; 5. schuimrand op een glas bier. (e) De manchet kwam in het begin van de 16...

Lees verder
1950
2021-02-25
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Manchet

(<Fr.), v. (-ten), 1. handboord aan een overhemd of blouse: vaste, losse manchetten; — inz. losse gesteven handboord; 2. (scherts.) handboei: iem. de manchetten aandoen; 3. ring voor water of luchtdichte afsluiting; 4. (plantk.) ring of verdikking van de steel van paddenstoelen onder de hoed; 5. omhulsel uit papier, zijde e...

Lees verder
1949
2021-02-25
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Manchet

(Fr: manchette, kleine mouw), handboord, hetzij los, hetzij aan overhemd vastzittend.

1933
2021-02-25
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Manchet

Onderrand van de mouw bij den pols; vooral ook: rand of opslag van andere, meest witte stof, ontstaan uit het zichtbare randje van de hemdsmouw. Als zoodanig verschijnen de m. eerst in de 16e eeuw, gelijktijdig met het opkomen van den geplooiden → kraag. Tegen de 18e eeuw zijn de m. vervangen door de losse → lubben, om in de 19e e. weer o...

Lees verder
1916
2021-02-25
Technisch woordenboek

H.J. van Eyk

Manchet

Noemt men in de werktuigkunde de afsluiting, meestal gevormd door een omgebogen lederen ring, van de zuiger en de wand der zuigercylinder eener machine.

1914
2021-02-25
De vreemde woorden

De vreemde woorden, verklarend woordenboek door Fokko Bos.

manchet

manchet - v., handlub.

1908
2021-02-25
Vivat

Schrijver op Ensie

Manchet

handlub, losse handboord; bij een courant noemt men het gedeelte waar de titel staat wel M.

1898
2021-02-25
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Manchet

MANCHET, v. (-ten), gesteven handboord, al of niet aan de mouw vastgemaakt; inz. losse hand boord; ■ —• (gemeenz.) iem. de manchetten aandoen, de handboeien; — (plantk.) ring of verdikking van den steel van paddenstoelen onder den hoed. MANCHETJE, o. (-s).

Lees verder