main
1 spelen, spel, spelend; 2 (main pukul, suntik) zo maar, uit de gek, willekeurig (slaan, inenten); (in talloze verbindingen, vnl populair-affectief b.v.:) main angin, veranderlijk (praten), (er is) geen peil op te trekken; main bola, voetballen, biljarten enz; main gila, ongepast (aanmatigend) optreden; main mata, met de ogen werken, coquetteren; m...