Wat is de betekenis van mager?

2020
2022-05-16
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

mager

(2006) (jeugd) goed, leuk, cool. • (Prisma miniwoordenboek 'Drop your lyrics'. 2006)

Lees verder
2019
2022-05-16
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

mager

mager - Bijvoeglijk naamwoord 1. zeer dun met weinig vet Uitdrukkingen en gezegden Magere luizen bijten het hardst Wie arm is probeert op eigen wijze aan de kost te komen. ♦ Schreeuwen als een mager varken ...

Lees verder
2018
2022-05-16
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

mager

mager - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: ma-ger 1. met een kleine breedte of omvang ♢dat kind is erg mager 1. zo mager als een lat [heel erg mager] 2. een magere sprinkha...

Lees verder
2017
2022-05-16
Leendert Brouwer

CBG|Familienamen

Mager

Bijnaam voor een mager persoon.

1987
2022-05-16
Reclame woordenboek

Frans van Lier - 1987

Mager

De normale, niet vette verschijningsvorm van een letter (zie verder lettersoort).

1973
2022-05-16
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

mager

I. bn. en bw., 1. niet vlezig, niet vet, dun, schraal: een magere koe; hij is zo dat men zijn ribben wel kan tellen; zo mager als een lat, als een sprinkhaan, zeer mager; schreeuwen als mager een varken; magere Hein, de dood; 2. (van planten) schraal: gras; 3. (van vlees) met weinig vetdelen: magere riblappen; 4. (van andere spijzen) zonder of me...

Lees verder
1952
2022-05-16
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Mager

adj., meager, skrael, hean, lask; hij is erg —, it fleis pleaget him net, hy hat net folie spyn op 'e ribben, hy hat net folie om 'e latten, lea, hy is tin splinterich; — worden, skraelje, ôfklaeije; — van gelaat, smel, smel om 'e kaken, kieuwen, snút; — en rijzig,...

Lees verder
1950
2022-05-16
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Mager

I. bn. bw., 1. niet vlezig, niet vet, dun, schraal: een magere koe; — hij is zo mager dat men zijn ribben vjel tellen kan; hij icas zo mager, dat je hem wel met een kaarsje doorlichten kon; zo mager als een hout, als een sprinkhaan, zeer mager; schreeuwen als een mager varken; — magere Hein, de dood; 2. (van planten) schraal: mager gra...

Lees verder
1937
2022-05-16
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

mager

I. bn., bw.; magerder, magerst: 1. schraal, niet-vet; niet-vlezig: een lang, mager man; een magere koe, een mager varken; zo mager als brood, schraal als ongeboterd brood; zo mager als een hout, een lat enz.; magere Hein, de dood als skelet; magere soep, zonder vet of vlees; 2. van allerlei stoffen: het gewichtigste bestanddeel slechts in kleine ho...

Lees verder
1898
2022-05-16
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Mager

1. Mager -, bn. bw. met weinig vleesch en vet, niet vleezig, niet vet, dun, schraal: eene magere koe; hij is zoo mager dat men zijne ribben wel tellen kan; — hij was zoo mager, dat je hem wel met een kaarsje doorlichten kon; zoo mager als een hout; schreeuwen als een mager varken; — magere Hein, de dood; —met weinig vet, weinig...

Lees verder
1898
2022-05-16
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Mager

zie Dun.