2020-01-26

Machtig

Machtig bn. bw. (-er, -st), krachtig, sterk machtige eiken; macht hebbende, vermogend: een machtig vorst; een machtig rijk; zijn machtige arm zal ons beschermen; — in staat tot: hij is immers machtig om te betalen; — groot: een machtig huis; dat maakt een machtig onderscheid, een kolossaal verschil; — er waren een machtige hoop menschen; — sterk, uitstekend een machtig rekenaar; — (van spijzen) moeilijk te verteren, te vet: dat kostje is mij te machtig; — (fig.) dat is mij te machtig...

2020-01-26

machtig

(‘machtəch) I. bn. en bw. (-er, -st) 1. de macht, het vermogen tot iets hebbend: (om) te betalen 2. krachtig: een middel 3. zwaar, moeilijk te verteren: -e kost 4. sterk : een -e indruk maken 5. krachtig ontwikkeld, groot en sterk: een gebouw; -e linden; de brede kroon van de eik 6. groot: een leger, volk; een -e sloot; een onderscheid; een gevoel, verlangen; een -e trek ; dat is, wordt mij te -, te sterk, te duur of ik kan het niet langer aanzien zonder aangedaan te worden of zonder in t...

2020-01-26

machtig

machtig - Bijvoeglijk naamwoord 1. meer invloed hebbend dan anderen In zijn tijd was Rome heel machtig. 2. zeer goed vullen De groentetaart van gisteravond was mij eigenlijk te machtig. 3. heel mooi, heel leuk en indrukwekkend Dat is echt een machtige achtbaan! machtig - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tij...

2020-01-26

machtig

machtig - bijwoord, bijvoeglijk naamwoord uitspraak: mach-tig 1. heel erg ♢ik vind zo'n toneelstuk machtig mooi 2. heel groot, leuk, fijn, veel ♢we hadden een machtige reis! 1. machtig mooi [heel erg mooi] 3. wat je maag snel vult

2020-01-26

machtig

Uitroep van verbazing; als eufemistische verkorting van God allemachtig. Het WNT citeert de ‘Historie van den Heer Willem Leevend’ (8 dln. 1784-1785) van Betje Wolff. Tegenwoordig verouderd.

2019-11-14

al(le)machtig

Als variant van allejezus komt van oudsher (d.w.z. vanaf 1878-1881) voor allemachtig!, een vernederlandsing van het Latijnse omnipotens. Vaak zien wij ook de vloek god al(le)machtig, regelmatig voorafgegaan door wel. Dit laatste is dan vaak tot een uitroep van verbazing, verontwaardiging e.d. geworden. De uitroep wordt soms schertsend en versterkend uitgebreid tot wel allemachtig tachtig! Vgl. Mullebrouck (1984). De expressieve waarde van het binnenrijm...

2020-01-09
2019-09-20

dewan

m. machtig inboorling.

2019-09-19

potent

vermogend, machtig.

2019-07-17

potent

potent - krachtig, machtig; vermogend.

2019-09-19

puissant

(Fr.) machtig, vermogend; ~ rijk, schatrijk.

2017-11-28

Hilderik

Tweestammige Germaanse naam met de betekenis 'machtig in de strijd', uit Hild- 'strijd' (zie -hild-) en -rik 'machtig' (zie -rik-).

2017-01-09

Government

Centrale sturing vanuit een machtig bestuurscentrum.

2017-11-28

Diederik

Tweestammige Germaanse naam met ongeveer de betekenis 'machtig onder het volk'. Uit Diet- 'volk' (zie diet-) en -rijk 'machtig' (zie -rik-). Vgl. Luderik en zie Dirk en Thierry.

2017-11-28

Aendrik

Friese naam. Tweestammige Germaanse naam met ongeveer de betekenis 'machtig door toorn'; uit and- 'toorn' (zie and-) en -rik 'machtig' (zie -rik).

2017-11-28

Heimerik

Tweestammige Germaanse naam ongeveer met de betekenis 'machtig door zijn woonplaats', uit Heim- 'heem, woonplaats' (zie Heime) en -rik 'machtig' (zie -rik-). Zie ook Hendrik.

2018-12-06

VERMOGEND

VERMOGEND - bn. (-er, -st), machtig (tot); rijk, bemiddeld.

2019-07-17

puissant

puissant - machtig, vermogend, „puissant rijk” : schatrijk.

2017-11-28

Litrik

Friese naam. Tweestammige Germaanse naam met de betekenis 'machtig onder het volk' (vergelijk Diederik). Uit Liod-, Liud- 'volk' (zie lud-) en -rik 'machtig' (zie -rik-).

2019-07-10

puissant

puissant - bn. (puissanter, puissantst), machtig; hij ispuissant (zeer) rijk