Synoniemen van maat

2020-02-25

maat

Een maat is: 1) (dans): een vaste indeling in de dans (1) vergelijk met muziek; eenheid van een aantal tellen waarbinnen de dans wordt uitgevoerd: tweedelig of driedelig, regelmatig of onregelmatig; bijv. 2/4, 3/4, 6/8, 9/8; zie maatsoort; de muziek die bij de dans gebruikt wordt geeft dikwijls ook de maat aan; 2) (muziek): verdeling van muziek in gelijke stukjes; elk stukje bestaat uit evenveel tellen.

2020-02-25

maat

partner

2020-02-25

Maat

Eenheid van ritme. Een maat bestaat uit een aantal tellen, die kwarten worden genoemd. Zo bestaat een vierkwartsmaat (de meest gebruikte in de popmuziek) uit vier tellen en een driekwartsmaat uit drie. Binnen de maat kunnen de kwarten weer verdeeld worden in achtsten, zestienden en twee-en-dertigsten. Zo ontstaan alternatieve maatsoorten als de zestien-achtste maat (bijvoorbeeld in veel doo-wop) en de vijfkwartsmaat (bijvoorbeeld in Take Five van jazzmuzikant Dave Brubeck).

2020-02-25

maat

maat - Zelfstandignaamwoord 1. (m) kameraad, makker, metgezel, vriend Hij wilde met zijn maten naar de kroeg, maar zijn vriendin was daar niet zo blij mee. 2. (m) (in het kaartspel) partner Hij speelde de slag naar zijn maat toe. 3. (f)/(m) (gestandaardiseerde) eenheid van lengte, oppervlakte of inhoud Om de juiste maat af...

2020-02-25

maat

maat - zelfstandig naamwoord 1. hoe groot het is ♢welke maat schoenen heb je? 1. ik neem de maat [ik meet] 2. met mate [niet te veel] 3. hij kan geen maat houden [neemt altijd teveel] 4. da...

2020-02-25

Maat

Een tijdseenheid bestaande uit een vast aantal notenwaarden, afhankelijk van het metrum en in de muzieknotatie vanaf de 17de eeuw afgescheiden door verticale maatstrepen.

2020-02-25

Maat

Maat - (Vlaams) de maat gaan laten nemen: gezegd wanneer men zich voor de examens laat inschrijven met weinig kans op slagen. Varianten: ik heb een kadootje van zoveel frank gedaan aan de universiteit, ik ben mijn hoed gaan bestellen. Zie buis.

2020-02-25

Maat

1. Variant van Van der Maat, Ter Maat en Van der Made: woonplaatsaanduiding bij De Made of Maat (hooiland). 2. Bijnaam die een onderlinge verhouding tussen personen aangeeft: een maat, een makker of gezel (in een bedrijf); vergelijk Janmaat.

2020-02-25

Maat

Mogelijk met reductie van de r ontstaan uit Mart-, Maarten. Er kan echter ook een Germaanse naam aan ten grondslag liggen. In dat geval is het een eenstammige verkorting van een Germaanse tweestammige naam met in het eerste lid een woord die overeenkomt met Gotisch mathl 'verzamelplaats, gerechtsplaats', Oudnoors mâl, Duits Mahl(statt). In namen: Mathel-, Madel- (zie madel-). Zie ook Maatje).

2020-02-25

Maat

1. Maat v. (maten), middel om er mee te meten: het stelsel van maten en gewichten; Iengte-, vlakte-, inhoudsmaat, maten voor natte en droge warm; (wisk.) gemeene maat, zie gemeen; — strook waarmede kleermakers, schoenmakers enz. de maat nemen; maatstok; letterzettersgereedschap; — (fig.) iem. de maat vol meten, iem. zooveel geven als men maar kan (ook in eene slechte beteekenis); — de maat is vol, het is nu genoeg; (ook fig.); — met twee maten meten, (Zuidn.) twee maten en twee gewichten...

2020-02-25

Maat

Maat en Maatje. Zie Maten en Gewichten.

2020-02-25

Maat

Maat - Is bij koop van naar de soort aangeduide goederen (z.g.n. genuskoop) een bepaalde maat bedongen, zoo behoeft de kooper niet met goederen van een andere maat genoegen te nemen (zie WANPRAESTATIE). Is bij den koop van een bepaald voorwerp de maat opgegeven, dan kan, indien later blijkt, dat het andere afmetingen heeft, de kooper slechts in enkele gevallen (zie DWALING en BEDROG) daaraan rechten ontleenen. Voor onroerend goed gelden echter bijzondere bepalingen, vervat in de artt. 1620—152...

2020-02-25

Maat

Maat - Oudhollandsche steenkolenmaat, waarvan 38 een hoed. Ook: Oudhollandsche maat voor zout. — iedere als eenheid aangenomen grootheid, welke dient om andere grootheden van dezelfde soort te bepalen, door te onderzoeken, hoeveel malen die eenheid in de te bepalen grootheid begrepen is; het onderzoek zelve noemt men meten. Men onderscheidt lengte-, vlakte- en inhoudsmaten, gewichten enz.

2020-02-25

Maat

zie Gezel.

2020-02-25

Maat

1° ➝ Maten en gewichten. 2° Maat heet de metrische vorm van de muziek in groepen van een bepaald aantal teleenheden. Deze groepen (maten) worden in het muziekschrift afgelijnd door de maatstreep of barre de mesure, een loodrechte lijn, die den notenbalk doorsnijdt. In de ➝ mensurale muziek werd de maat niet verduidelijkt door de maatstreep, deze kwam eerst op het eind der 16e eeuw in gebruik. Toch werd, sinds de 14e e., de mensurale muziek ook streng door de m. beheerscht; men onders...

2020-02-25

maat

zie derde maat.

2020-02-25

Maat

I. In eigenlijken zin. Zie hierover de verschillende artikelen over de maten, onder Israël in gebruik.II. In oneigenlijken zin 1. Zoo wordt het gebruikt om de juiste verhouding uit te drukken. Zoo Pred. 6:7: „Aan een iegelijk mensch is arbeid opgelegd naar zijne maat”, d.i. naar verhouding zijner krachten. Onze Statenoverzetting heeft: al de arbeid des menschen is voor zijn mond. 2. In het algemeen wordt maat gebezigd in Matth. 7 : 2, Marc. 4 : 24, Luc. 6 : 38. 3. In de uitdruk...