2019-12-14

Lustig

Lustig bn. bw. (-er, -st), vroolijk, blijmoedig, opgeruimd, levendig, dartel: een lustig lied; lustig zingen; een lustig leven leiden; lustig lachen; — (muz.) allegro; — (flg.) groot; zeer, terdege: hij kreeg lustig wat op den rug; — flink, ferm lustig aan (aanmoediging). LUSTIGHEID, v. LUSTIGJES, bw.

2019-12-14

lustig

lustig - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: lus-tig 1. waarvan je in een goede stemming komt ♢ ze speelden een lustig muziekje Bijvoeglijk naamwoord: lus-tig ... is lustiger dan ... de/het lustige ... Synoniemen aangenaam, fijn, goed, lekker, leuk, plezierig, prettig, senang Tegenstellingen akelig, onaangenaam

2019-12-14

Lustig

Lustig (Jacobus Willem), een verdienstelijk toonkunstenaar, geboren den 21sten September 1806, leerde de beginselen der muziek van zijn vader, die de betrekking van organist bekleedde en werd zelf in 1728 organist in de St. Maartenskerk te Groningen. In 1732 bezocht hjj Londen, om er de concerten van Händel te hooren. Hjj was voorts de leermeester van Oltkoff, die hem als organist opvolgde, en overleed den 174™ Mei 1796. Hjj schreef: „Inleijding tot de muzijkkunde enz. (1751,1752)’’, ...