Wat is de betekenis van lullig?

2020
2021-01-15
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

lullig

1) (1904) (inf.) onnozel; flauw; vervelend; jammer; rot. • D'r zuster had 'r niet over wille prate, wat kwam-ie d'r verder mee, of-ie d'r al een lullige buurt van maakte. (Henri Hartog: Sjofelen. 1904) • „Zo'n lullig stukkie tabak in een pampiertje.” (A.M. de Jong: Frank van Wezels roemruchte jaren, 1928) • Toen ben 'k...

Lees verder
2019
2021-01-15
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

lullig

lullig - Bijvoeglijk naamwoord 1. vervelend Woordherkomst Afgeleid van lul met het achtervoegsel -ig

Lees verder
2018
2021-01-15
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

lullig

lullig - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: lul-lig 1. waar je door gestoord of belemmerd wordt ♢ (plat) wat lullig, dat je gezakt bent! 2. niet belangrijk ♢ hij kreeg een flinke straf voor die lu...

Lees verder
1973
2021-01-15
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

lullig

bn. en bw., (plat) flauw, onnozel of mal: doe niet zo —; om zo’n lullige reden kun je niet wegblijven; (ook) karakterloos, geneigd moeilijkheden te ontlopen.

1950
2021-01-15
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Lullig

bn. bw., flauw, onnozel of mal: doev niet zo lullig ; om zo’n lullige reden kun je niet wegblijyen.