Wat is de betekenis van lopen?

2020
2021-09-28
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

lopen

1) (2003) (politie) zie citaat. • Lopen. Politieterm voor het rondhangen van met name Antilliaanse en Marokkaanse jongeren op een bepaalde plek, vaak met de bedoeling een slachtoffer uit te kiezen voor een beroving. (Martin Meulenberg: Van adat tot zwart-rechts. Lexicon van de multiculturele samenleving. 2003) 2) (1986) (Rotterdam) verk...

Lees verder
2019
2021-09-28
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

lopen

lopen - Werkwoord 1. (Noord-Nederlands) ergatief stappen, gaan Lopen naar het stadhuis is sneller dan met de auto. 2. (Zuid-Nederlands) ergatief rennen Je zal moeten lopen als je de trein nog wil halen. 3. (Noord-Nederlands)...

Lees verder
2018
2021-09-28
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

lopen

lopen - onregelmatig werkwoord uitspraak: lo-pen 1. je te voet voortbewegen door stappen te nemen ♢ er lopen twee mannen voorbij 1. hij zet het op een lopen [gaat heel hard lopen] ...

Lees verder
2017
2021-09-28
Hans Kaldenbach

De A is van Amalia, die is allochtoon

Lopen

Als een Turkse Nederlander in Turkije een winkel binnenloopt, dan gaan voor hem de prijzen meteen omhoog. Het winkelpersoneel heeft aan de manier van lopen gezien dat er een Europese Turk binnenkomt. Ook voor hen gelden de hogere toeristenprijzen. De man loopt doelgericht zoals de meeste West-Europeanen. In grote delen van de wereld is lopen meer k...

Lees verder
2017
2021-09-28
Wielrenners

Jargon & Slang van Wielrenners

Lopen

Lopen - 'gaan lopen': de groep achter zich laten, wegvluchten. Fr. se détacher, se tirer. Eng; to jump away.

2017
2021-09-28
Martin Meulenberg

Lexicon van de multiculturele samenleving

Lopen

Politieterm voor het rondhangen van met name Antilliaanse- en Marokkaanse jongeren op een bepaalde plek, vaak met de bedoeling een slachtoffer uit te kiezen voor een beroving.

2015
2021-09-28
Typisch Vlaams

Door Ludo Permentier en Rik Schutz

lopen

rennen, hardlopen Ik heb niet veel slaap nodig. Ik sta makkelijk om 4 uur op om te gaan lopen, dan ben ik om 7 uur terug thuis voor het ontbijt. (De Standaard) Gaandeweg dringt de Belgische betekenis ook in Nederland door. Mensen die voor hun plezier (hard)lopen noemen zichzelf 'lopers' en onderscheiden zich daarmee van tr...

Lees verder
2014
2021-09-28
Mokums woordenboek

Ditte Simons en Hans Heestermans

lopen

1. een wandeling maken in: Ja, m’n vrouw is toch naar bed zeg, laten we de Nes loopen V. DORT 29; 2. zich opwinden, zich op stang laten jagen: Hoemeer de ander zich opwond, ‘liep’ des te kalmer werd-ie, tot groot vermaak van z’n ‘gabbers’, ELSENSOHN 19.

Lees verder
2008
2021-09-28
Atletiek- en turnwoordenboek

Atletiek- en turnwoordenboek door Jan Luitzen

lopen

(onov ww; liep; h. en is gelopen) LO - zich op de benen snel voortbewegen: lopen als een haas, de wind, snel lopen; loop je niet, zo heb je niet, als men zich niet inspant, zal men niets bereiken.

1998
2021-09-28
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

lopen

1. Van een kleur: zodanig bij de tegenpartij verdeeld zijn dat kan worden voortgegaan met het maken van slagen in die kleur. 2. Op de loop gaan, weglopen.

Lees verder
1997
2021-09-28
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

lopen

De gebiedende wijs loop of loopt wordt gewoonlijk gebruikt in verdwijnverwensingen met de betekenis ‘maak dat je wegkomt!’ Vaak is die betekenis zelfs nog afgezwakt tot ‘ben je mal’, ‘och kom’ en dergelijke. Bij Bredero komt voor loop schijten! Wij kennen zonder volledig te willen zijn nog ...

Lees verder
1973
2021-09-28
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

lopen

(liep, heeft en is gelopen), (onoverg.) zich op de benen snel voortbewegen: hij liep wat hij kon; hij moet de hele dag — en draven; — en springen; hard —; — als een haas, een kievit, de wind, snel —; loop je niet, zo heb je niet; zich met de benen voortbewegen (→beweging, DIERKUNDE), gaan: leren —; het is t...

Lees verder
1972
2021-09-28
OHS1

Oosthoek Encyclopedie supplement

Lopen

(liep, heeft gelopen), (gemeenz.) 20. uitkering genieten krachtens : in de Ziektewet, in de VUT-,

1965
2021-09-28
Lexicon van de Psychologie

N.Sillamy

LOPEN

de meest gewone vorm van voortbeweging van de mens. Lopen is afhankelijk van het → rijpingsproces (een baby heeft gemiddeld 60 weken nodig om alleen te kunnen lopen) en van het leerproces (de wilde meisjes die men in 1920 in de jungle in Midnapore vond en die met wolven samenleefden en evenals deze, met een opmerkelijke snelheid, op 4 voeten l...

Lees verder
1954
2021-09-28
Medisch

Eerste Medisch Systematische Ingerichte Encyclopedie

Lopen

een voor de validiteit belangrijke zeer samengestelde handeling, waarvoor het spierskeletstelsel, de evenwichtszin en alle motorische systemen van het zenuwstelsel intact moeten zijn.

1954
2021-09-28
Groninger Encyclopedie

K. ter Laan

Lopen

oude naam voor schepel. In 't Gron. Landbouwblad leest men, dat de Gebr. Teenstra in 1799 het lopen koolzaad verkochten tegen f 16.— en dat zij 1800 lopens oogstten.

Lees verder
1952
2021-09-28
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Lopen

v., rinne, roun, roun; gean, soale drosse, droskje, bonkelje, poatelje; met tegenzin — bjiskje; kalm —, traepje traepkje, pesjantelje, peazgje, peadzje, peatskje, peat(t)erje; snel —, tippelje, fokselje, jaskje, snjitte, snoarje, snuorje; stevig —, de hakken yn 'e groun s...

Lees verder
1950
2021-09-28
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Lopen

I. (liep, heeft en is gelopen), 1. zich op de benen snel voortbewegen: hij liep wat hij kon; uit al zijn macht lopen; hij heeft de hele dag te lopen en te draven; lopen en springen; — hard (Zuidn. zere) lopen; — lopen als een haas, een kievit, de wind, snel lopen; — ...

Lees verder