Wat is de betekenis van Lijvig?

2024-05-20
Prisma Groot Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2024)

2024-05-20
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

lijvig

lijvig - Bijvoeglijk naamwoord 1. groot, zwaar en dik vooral van boeken De grote van Dale is een zeer lijvig boek. Woordherkomst afgeleid van lijf met het achtervoegsel -ig

2024-05-20
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

lijvig

lijvig - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: lij-vig 1. erg breed of met een grote omvang ♢ hij heeft een lijvig boek geschreven Bijvoeglijk naamwoord: lij-vig ... is lijviger dan ... het l...

2024-05-20
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Lijvig

ad)., livich, grou, groulivich.

2024-05-20
Woordenboek Nederlands-Turks

Mehmet Kiriş (2024)

2024-05-20
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Lijvig

bn. (-er, -st), 1. dik, zwaar van lijf: een lijvige vrouw; 2. zwaar, dik : vette, zware, lijvige tabak ; een lijvig pakket; een lijvig boekdeel; 3. omvangrijk, uitvoerig : een lijvig rapport; 4. (van vloeistoffen en dranken) dik, gebonden, taai: lijvige stroop; 5. (van wijn) rijk aan zouten en extractstoffe...

2024-05-20
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

lijvig

bn. (dik, zwaar): een lijvig boek, een lijvig rapport, van grote omvang, dik; ook van vloeistoffen, de tegenst. is waterdun, b.v. stroop is een lijvige stof.

2024-05-20
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

lijvig

bn. en bw. (-er, -st) 1. zwaar van lijf of buik: een -e hond; een vrouwmens. Syn. ➝ dik. 2. zwaar, dik, omvangrijk; een boek, rapport. 3. dik, stevig: -e stroop.

Wil je toegang tot alle 13 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-05-20
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

lijvig

bn. (-er, -st), 1. dik, zwaar van lijf: wie is die lijvige vrouw?; 2. zwaar, dik: een pakket; een lijvig boekdeel; 3. omvangrijk, uitvoerig: een lijvig rapport; 4. (van vloeistoffen en dranken) dik, gebonden, taai: lijvige stroop.