Wat is de betekenis van lijfelijk?

2024-05-24
Prisma Groot Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2024)

2024-05-24
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

lijfelijk

lijfelijk - Bijvoeglijk naamwoord 1. het lichaam betreffende Depressie bij reuma heeft lijfelijke oorzaak Het is een ode aan de liefde, en aan de ontdekking van de lijfelijke liefde - wat toch één van de meest fantastische zaken is die je kunt meemaken i...

2024-05-24
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

lijfelijk

lijfelijk - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: lij-fe-lijk 1. wat met je lijf te maken heeft ♢ bij basketbal is lijfelijk contact verboden 1. lijfelijk aanwezig zijn [in levenden lijve] ...

2024-05-24
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Lijfelijk

bn. bw., 1. lichamelijk, in levenden lijve: een lijfelijk mens en geen geest; 2. op het lichaam betrekking hebbende: het lijfelijke leven; — vleselijk, naar den bloede: zijn lijfelijke broeder, zijn eigen broeder; 3. (Zuidn.) onafgebroken: lijfelijk regenen.

2024-05-24
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

lijfelijk

bn. (naar den bloede, lichamelijk): zijn lijfelijke zoon, zijn lijfelijke broeder, naar den vleze verwant.

2024-05-24
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

lijfelijk

bn. lichamelijk, eigen; zijn -e zoon, broeder.

2024-05-24
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

lijfelijk

bn. en bw., 1. lichamelijk, in levenden lijve: een lijfelijk mens en geen geest; 2. vleselijk, naar den bloede: zijn lijfelijke broeder, zijn eigen broeder; lijfelijk aanwezig zijn, wel naar lichaam, maar niet met de geest aanwezig zijn.

2024-05-24
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Lijfelijk

Lijfelijk bn. een lijf hebbende, lichamelijk; — zijn lijfelijke broeder, zijn eigen broeder.

Wil je toegang tot alle 9 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-05-24
Prisma Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2024)