2020-04-03

Lid

Lid - iemand lid van de club maken: hem of haar een bekeuring geven. Haagse uitdrukking.

2020-04-03

lid

lid - Zelfstandignaamwoord 1. iemand die behoort tot een groep, vereniging, organisatie of sekte De NCRV heeft nieuwe leden nodig om deze te kunnen blijven uitzenden! 2. deel van een paragraaf van een wetsartikel De tekst van art. 269, derde lid, b), is van toepassing vanaf 10.01.2005. 3. mannelijk geslachtsdeel Zijn lid in mijn mond. 4. ooglid 5...

2020-04-03

Lid

1. - van de gauw-gauw-kerk,spottend gezegd van iemand die naar de Hervormde Kerk gaat. De ben. komt van de meer orthodoxe gelovigen. Bron: Elsevier,18/04/92. 2. - van de natte gemeente,zie van de natte gemeente.

2020-04-03

Lid

Onderdeel van een artikel.

2020-04-03

lid

Mannelijk geslachtsorgaan. Reeds in de zeventiende eeuw voorkomend. Het woord slaat in principe op elk (beweegbaar) deel van het lichaam. De betekenis moet dan duidelijk blijken uit de context. Soms ook in het meervoud voor de uitwendige geslachtsdelen. Zo sprak men vroeger over ‘de schamelicke (of schaembare) leden’. Ook het Engelse equivalent ‘member’ is een net eufemisme. ‘Membrum virile’ is de wat snobistische Latijnse benaming. Vgl. het gelijkaardige deel* en herendeel*. Eindelijk kon ik d...

2020-04-03

lid

lid - zelfstandig naamwoord 1. wat kleiner is dan het totaal ♢ het staat in artikel 5, lid 7 1. je arm uit het lid draaien [uit de kom] 2. wie bij een bepaalde groep of vereniging hoort ♢ ik ben lid van een voetbalclub 1. familielid ...

2020-04-03

lid

lid - Zij die deel uitmaken van een organisatie, gemeenschap, gezamenlijke onderneming of andere groep.

2020-04-03

Lid

zie Deksel, zie Deel.

2020-04-03

Lid

1° Beweegbaar lichaamsdeel, vooral de onderdeden van de → ledematen. 2° Voor het lid van een → stengel, zie aldaar. 3° Lid der Kerk. Men onderscheidt in de H. → Kerk het lichaam en de ziel, d.w.z. het zichtbaar organisme en de vereeniging van allen, die door de genade met Christus verbonden zijn. Men is lid van het lichaam door het → Doopsel als waarneembaar teeken, tenzij men uit de gemeenschap der geloovigen verwijderd is door den ban. Van de ziel der Kerk is me...

2020-04-03

lid

zie duo.

2020-04-03

Lid

Het begrip lid heeft 2 verschillende betekenissen: 1. lid - LID, o. (leden), gewricht: zijn arm is uit het lid; den arm weer in het lid zetten; — (fig.) het been is weer in het lid, de zaak is weer in orde; — (w. g.) iets in het lid praten, goed maken; — deel van het lichaam van mensch of dier recht van lijf en leden; een lid verrekken, verstuiken; — geen lid kunnen verroeren, zich in ’t geheel niet kunnen bewegen; — er is geen lid aan mijn lijf dat er aa...

2020-04-03

lid

lid - (meestal mannelijk -) geslachtsorgaan. Uyt het geen wy dan dus verre van 't Mannelijke lidt hebben gesegt, is blijkelijk dat het selve is t’samengestelt uyt onderscheydene Deelen, die nogtans alle seer aardig in dit uyt-eynde over-een-komen, dat de Roede nu stijf, dan slap mogt werden, R. DE GRAAF, Werken toó [1686].Als ’t Lid ons tot de navel stijgt, denken wij dan aan deugd en eer? Nee! Nee! Want waarmee men ook dreigt: een stijf lid kent geen wetten meer, VAN ALT...

2020-04-03

lid

stengeldeel tussen twee knopen.