Wat is de betekenis van leut?

2020
2021-06-13
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

leut

(eind 19e eeuw) (inf.) koffie. Kijk ook onder 'bakkie leut'. Herkomst onduidelijk. Sinds de 17e eeuw betekent leut ook: pret, plezier. Een 'koffieleut' is iemand die graag en veel koffie drinkt. Wellicht heeft de betekenis van koffie dus te maken met het plezier om het te drinken. Bij Boekenoogen (1897) lezen we o.a.: "Wil-je nag 'en koppie leut? -...

Lees verder
2019
2021-06-13
Ewoud Sanders

Taalhistoricus en journalist.

leut

koffie In deze betekenis in 1897 voor het eerst opgetekend, door G.J. Boekenoogen, in diens Zaansche volkstaal. Boekenoogen geeft als definitie: ‘Koffie en melk door elkaar gekookt; opgewarmde koffie; soms ook versche koffie’. Als voorbeeldzinnen geeft hij: ‘Wil-je nag een koppie leut?’ en ‘Kom-je eens een leutje bij me drinken’. In 1906 voo...

Lees verder
2019
2021-06-13
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

leut

leut - Zelfstandignaamwoord 1. genoegen, plezier, lol Dat doen we gewoon voor de leut. 2. koffie Zal ik 'ns een bakkie leut zetten? Synoniemen leute

Lees verder
1973
2021-06-13
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

leut

v./m., (volkstaal) koffie en melk door elkaar gekookt; koffie in het algemeen: een bakje — .

1950
2021-06-13
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Leut

LEUTE, v., (niet alg.) vrolijkheid, plezier, vermaak: veel leut hebben; ’t is maar voor de leut, voor de pret; zij vechten uit leut, uit scherts, voor de grap.

1949
2021-06-13
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

leut

koffie.

1933
2021-06-13
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Leut

Gem. in Belg. Limburg, ten Z. van Maaseik; opp. 390 ha; 1050 inw. (Kath.). Kanton en dekenaat Mechelen. Landbouw, steenbakkerijen. Mooi kasteel uit de 18e eeuw.

Lees verder
1919
2021-06-13
uitdrukkingen

Woorden en uitdrukkingen verklaard

Leut

leute; vreugde, plezier, in ’t vla. vooral, doch ook in de Betuwe en Utrecht; in den lateren tijd, vooral door invloed van de Vlaamsche letterkunde, ook meer in de literaire taal gebruikt. Omtrent den oorsprong is niets zekers vast te stellen; er wordt gedacht aan samenhang met lat. ludus, spel. In de volks- en boeventaal is leut = koffie; mi...

Lees verder
1898
2021-06-13
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Leut

LEUT, LEUTE, v. vroolijkheid, plezier, vermaak veel leut hebben; 't is maar voor de leut, voor de pret: zij vechten uit leut, uit scherts, voor de grap.