Wat is de betekenis van lens?

2020
2021-06-22
Meertens Instituut

Nederlandse Voornamenbank

Lens

Zie Laurentius Een oude vermelding is Laurencius dictus Lenss, Den Bosch en omgeving 1445. Vgl. ook Lense.

Lees verder
2020
2021-06-22
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

lens

1) (1900) (inf.) leeg. • Zuip 'm niet lens. Ben je heelemaal bed...d? (Bernard Canter: Twee weken bedelaar. 1900) • Lens: leeg; ook: 'Ik sla je lens.' (Jan Oudenaarden: De terugkeer van Opoe Herfst. 1986) 2) (1935) (inf.) dronken: 'zich lens zuipen'. Eigenlijk: slap, krachteloos. • Als jullie dorst hebbe, zuip-ie de...

Lees verder
2019
2021-06-22
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

lens

lens - Zelfstandignaamwoord 1. (optica) een geslepen stuk transparant materiaal dat lichtstralen breekt 2. (fotografie) een stelsel van lenzen(1) of lensdelen dat op een camera zit zodat er een scherp beeld op de film of CCD wordt geprojecteerd Met welke lens ga je die foto nemen? 3. (opt...

Lees verder
2018
2021-06-22
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

lens

lens - zelfstandig naamwoord 1. bol of hol doorzichtig voorwerp waardoor je iets duidelijker kunt zien ♢ deze microscoop heeft drie lenzen 2. doorzichtig stukje in je oog ♢ bij deze operatie wordt de lens ver...

Lees verder
2010
2021-06-22
Dokterswoordenboek

Ruim 2300 medische begrippen, omschreven door Jannes van Everdingen en Arnoud van den Eerenbeemt

lens

Deel van het oog dat invallende lichtstralen ombuigt en bundelt zodat die binnenin een beeld op het netvlies maken. De elastische lens in het oog kan van vorm veranderen om lichtstralen te bundelen die weerkaatst worden door voorwerpen dichtbij en veraf. De lens zit vlak achter de pupil. Bij staar (cataract, een ziekte die op hoge leeftijd veel voo...

Lees verder
2000
2021-06-22
Plantennamen

Verklarend woordenboek der wetenschappelijke namen van de in Nederland en Nederlandsch-Indië in het wild groeiende en in tuinen en parken gekweekte varens en hoogere planten door Dr. C. A. Backer (1936)

lens

Lens L. [C. Linnaeus] / Lens Moench [K. Moench] / lens, - (Lat.) linze, een vooral in Z.-Europa en Voor-Azië verbouwde peulvrucht, welke in Nederland weinig bekend zoude zijn, indien zij niet het moes hadde geleverd, waarvoor Ezau zijn eerstgeboorterecht verkocht. Vgl. Genĕsis XXV, 29-34: “Ende Jacob hadde een koo...

Lees verder
1981
2021-06-22
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Lens

1. glazen lichaam met gebogen vlakken. Onderscheiden in bolle lenzen (convexe lenzen), die in het midden dikker zijn dan aan de randen, en in holle lenzen (concave lenzen), die in het midden dunner zijn dan aan de rand. Ze worden gebruikt om lichtstralen een breking te doen ondergaan; zie lichtbreking; 2. lichtbrekend orgaan in het oog, dat van een...

Lees verder
1980
2021-06-22
Blauwe Scheen

Lexicon Beeldende Kunstenaars

Lens

Maurits Johannes; geb. Wassenaar 31 december 1829, overl. Utrecht 28 september 1897. Woonde tot 1866 in Wiesbaden, daarna in Utrecht. Tekenaar en lithograaf.UTRECHT -Centraal Museum: enkele bruiklenen, w.o. portretten; de Noord bij Hendrik-Ido-Ambacht, gem. (MJL 1894); landschap. Scheen 1946 en 1969; Waller.

Lees verder
1973
2021-06-22
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

lens

bn. en bw., 1. iemand trappen, beurs; 2. leeg: ‘t flesje was de pomp is -, geeft geen water meer; het schip — pompen.

Lees verder
1969
2021-06-22
Pieter Scheen

Rode Scheen: Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1950

Lens

Lens - zie E. M. A. Roukens.

1964
2021-06-22
voornamen

Voornamenboek

Lens

m -> Laurentius (Zuid-Ndl.). Laurencius dictus Lenss, Den Bosch e.o. 1445. Vgl. ook Lense.

Lees verder
1954
2021-06-22
Medisch

Eerste Medisch Systematische Ingerichte Encyclopedie

Lens

het in een kapsel gesloten kristallijne sterk lichtbrekende weefsel vóór in het oog. Het meest bijzondere van dit orgaan is de stofwisseling: het zuurst of gebulte is 20 X zo hoog als dat van slagaderlijk bloed, het zuurstofverbruik is 100 X groter dan van het vocht in de oogkamer. Ook de concentratie aan oxydatie-iermenten is zeer ho...

Lees verder
1952
2021-06-22
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Lens

s., lins, leaf (it).

1949
2021-06-22
Vreemde woorden in de Natuurkunde

Prof. Dr. P.H. van Laer

Lens

(Lat. lens, gen. léntis = linze, platte erwt (in het midden dikker dan aan den rand). Het woord lens (= linze) werd in overdrachtelijken zin gezegd van de ooglens wegens de gelijkenis van vorm, en later voor de geslepen glazen waarvan de eerst gemaakte (die in het midden het dikst waren) op een linze geleken. Zo draagt ook de dubbel-bolle sc...

Lees verder
1949
2021-06-22
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Lens

(1), van geslepen glas vervaardigde voorwerpen, die dienen om de richting van lichtstralen te beïnvloeden (vergroting, concentratie van lichtbundels enz.). De voornaamste vormen zijn dubbel bol (bi-convex), dubbel hol (bi-concaaf), hol-bol (concaaf-convex), plat-bol (plan-convex), plat-hol (plan-concaaf). Bolle lenzen werken convergerend (same...

Lees verder
1933
2021-06-22
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Lens

1) doorzichtig lichaam, dienende om de daarin vallende lichtstralen naar elkaar of v. elkaar te huigen. Men onderscheidt bolvormige (convexe) en holle (concave) oppervlakken, en noemt daarnaar lenzen biconvex (twee bolle vlakken). convex-concaaf (1 bol, 1 hol) of biconcaaf (2 holle). Worden gebruikt i/d bril, microscoop, astron. en verrekijker enz....

Lees verder
1919
2021-06-22
uitdrukkingen

Woorden en uitdrukkingen verklaard

Lens

= ledig; misschien verwant met het z.nw. lens, indien dit nml. in verband staat met luns, en beide met los. Voor den overgang van bet. van los tot ledig verg. men de uitdrukking los zijn = alles uitverkocht hebben. Bekend is het bakerrijmpje: „Bobbelebob, zei Besje, en ze dronk eens uit haar fleschje, en ’t fleschje dat was lens”....

Lees verder
1916
2021-06-22
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Lens

Lens - 1) lichaam van glas of een andere doorzichtige middenstof, met behulp waarvan een beeld van een lichtpunt wordt verkregen. Met behulp van twee omwentelingsoppervlakken van bepaalde gedaante (aplanatische oppervlakken) en dezelfde as van wenteling, aan welke oppervlakken de lichtstralen gebroken worden, gelukt het de lichtstralen afkomstig va...

Lees verder
1898
2021-06-22
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Lens

Het begrip lens heeft 4 verschillende betekenissen: 1. lens - LENS, bn. ledig, zonder vocht: de pomp is lens, geeft geen water; het ruim werd met de stoompomp van het schip zelf weer lens gepompt, leeggepompt; — (w. g.) de flesch is lens, is leeg; — (fig.) hij is lens, hij heeft al zijn geld verloren. 2. lens - LENS, v. (-en), eene s...

Lees verder
1870
2021-06-22
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Lens

Eene lens is een doorzigtig ligchaam, hetwelk de eigenschap bezit, om de daarop vallende en door dat ligchaam heendringende lichtstralen te doen zamenloopen of te verspreiden. Zij kan begrensd worden door gedeelten van bolle of holle vlakken of door een plat vlak en een gedeelte van een bol of hol oppervlak. De middelpunten der grensvlakken liggen...

Lees verder