Wat is de betekenis van Lef?

2020
2020-10-31
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

lef

lef - Zelfstandignaamwoord 1. (Jiddisch-Hebreeuws) durf, branie, moed Je moet het lef maar hebben! Woordherkomst Herkomst: Jiddisj, letterlijk: 'hart'

Lees verder
2019
2020-10-31
Ewoud Sanders

Taalhistoricus en journalist.

lef

moed In 1844 voor het eerst aangetroffen, in een literaire tekst. Omstreeks 1860 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, opgesteld door M. Verwoert, indertijd directeur van een gevangenis te Utrecht. Verwoert vermeldt het in de vorm lif. Köster Henke geeft in 1906 in De Boeventaal onder meer als voorbeeldzin: ‘Om te mo...

Lees verder
2014
2020-10-31
Mokums woordenboek

Ditte Simons en Hans Heestermans

lef

(< Jidd. lew, moed < Hebr. leew, hart), branie, moed: Raak me nou nog is an, verdommisse ploert! Doe ’t nog is! Nou, dat ik getuige heb! ... Heb nou nog is ’t lef, HEIJERMANS1 5; op groot lef, met het nemen van risico, op goed geluk: ’k Saai op graut lef: As je om ’n gaantje ferleige bint, neim dèn je malle waaf...

Lees verder
1998
2020-10-31
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Lef

op - gaan een streek uithalen waarvoor veel durf of lef (van Jiddisch lew ‘hart, durf) vereist is. Bargoense uitdr. Een leffiepikken bet. ‘iets gewaagds doen’. Op lef drinken is ‘drinken zonder te betalen’. Lef ook in allerlei samenstellingen (met een slangkarakter): lefgozer, lef- kerel; lefschopper; lefwater.

Lees verder
1994
2020-10-31
Muiswerk

Woordenboek van Muiswerk Educatief

lef

lef - zelfstandig naamwoord 1. het durven ♢ Hij is nergens bang voor, hij heeft veel lef. 1. Als je het lef hebt! [Waag het niet!] Zelfstandig naamwoord: lef de lef...

Lees verder
1980
2020-10-31
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Lef

Er is eens een slimmerik geweest die het woord lef verklaarde als een samenstelling der beginletters van de woorden liberté, égalité en fraternité, vrijheid, gelijkheid en broederschap. Toen fantaseerde hij lustig verder dat men in Nederland na de komst der Fransen (1795) de aanhangers van het nieuwe bewind lef-kerels no...

Lees verder
1949
2020-10-31
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

lef

moed. Om te moorden, daar heb ik nooit lef voor gehad. Op grootlef uitgaan, willen stelen tot elke prijs. Zuipen op lef, drinken op avontuur, 't Was een hele lef voor me, een stout stukje. Zie: grootlef.

Lees verder
1948
2020-10-31
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

lef

moed; ~goser, durfal.

1916
2020-10-31
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

LEF

[Russische afk. voor: Links Front van de Kunsten], een groep Russische, vooral futuristische dichters in de beginperiode van de USSR (192330). Hiertoe behoorden o.a. N.N.Majakovski en V. V. Asejev. Hun ideeën geraakten in strijd met de kunstopvattingen van de communistische partij.

Lees verder
1914
2020-10-31
De vreemde woorden

De vreemde woorden, verklarend woordenboek door Fokko Bos.

lef

lef - v., (argot), moed; „lefjongen” ; een, die moed heeft, een durfal.

1898
2020-10-31
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Lef

Het begrip lef heeft 4 verschillende betekenissen: 1. lef - LEF, o. (volkstaal) moed, durf lef hebben; begin nou eens als je lef hebt, als je durft; — lef maken, drukte, brani schoppen; — zuipen op lef, zonder te betalen; — ik heb er geen lef in, lust, zin. 2. lef - LEF , bw. (gew.) laf, slap, moedeloos; die visch is lef, is s...

Lees verder