Wat is de betekenis van lazarus?

2020
2021-09-20
Meertens Instituut

Nederlandse Voornamenbank

Lazarus

Van Hebreeuws El'azar 'God helpt'. Lazarus is de Latijnse (en Griekse) vorm. Hij komt voor als de naam van de bedelaar in de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus (zie de Bijbel, in Lucas 16, 19-31) en van de broer van Maria en Martha, die door Christus uit de dood werd opgewekt (idem, in Johannes 11). Het is ook de naam van een 5e-eeuwse...

Lees verder
2020
2021-09-20
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

lazarus

1) (1673) (inf.) stomdronken. Letterlijk: besmet met lazerij; melaats, maar deze betekenis is verouderd. De besmettelijke ziekte melaatsheid wordt sinds de Middeleeuwen geassocieerd met de bijbelse figuur Lazarus, een bedelaar vol zweren (uit het evangelie van Lucas 16:20). Wat `melaatse' hier met dronkenschap te maken heeft, is niet meteen duideli...

Lees verder
2019
2021-09-20
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

lazarus

lazarus - Bijvoeglijk naamwoord 1. zo dronken dat iemand bijna dood lijkt Autoriteiten op Mallorca en Ibiza willen dat in vliegtuigen naar Spanje geen druppel meer wordt gedronken. Dit moet voorkomen dat vakantiegangers lazarus op hun bestemming arriveren. Sind...

Lees verder
2018
2021-09-20
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

lazarus

lazarus - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: la-za-rus 1. onder invloed van alcohol zodat je niet meer helder kunt denken ♢ zijn vader is regelmatig lazarus Bijvoeglijk naamwoord: la-za-rus

Lees verder
2000
2021-09-20
Bijbels Lexicon

Door Karina van Dalen-Oskam & Marijke Mooijaart

Lazarus

Lazarus (1), Lazarus van Betanië, die door Jezus uit de dood werd opgewekt; (fig.) persoon of instelling die hersteld is van een slechte situatie. Lazarus zijn, dronken zijn. Twee mannen met de naam Lazarus spelen een rol. De ene is de bekende Lazarus van Betanië, die door Jezus uit de dood werd opgewekt. Zijn verhaal wordt verteld in Johannes 11....

Lees verder
1997
2021-09-20
Bijbelse eponiemen

Dr. Apeldoorn en Dr. Beijer

Lazarus

Melaatse, leproos, iemand die vol met puisten en zweren zit, en lazarushoofd: een hoofd bedekt met zweren, beide genoemd naar Lazarus, de arme bedelaar in het evangelie van Lucas, die met zweren en wonden overdekt aan de poort van het huis van de rijke man ligt (Lucas 16: 20,21). De melaatsheid is ons uit de Bijbel voldoende bekend. Zara’ath...

Lees verder
1992
2021-09-20
Symbolen

Hans Biedermann

Lazarus

de ‘arme Lazarus’, in de gelijkenis van Jezus (Lucas 16:19-30) symbolische figuur voor de op aarde aan armoede en ziekte lijdende mens die daarvoor in het hiernamaals schadeloos wordt gesteld, terwijl zijn pendant, de rijke man, na zijn dood pijn lijdt in het laaiende hellevuur. Lazarus rust ‘in Abrahams schoot’; zijn tegens...

Lees verder
1973
2021-09-20
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

lazarus

I. o., (plat) een afschuwelijke ziekte: zich het werken; II. bn., (plat) stomdronken, lazarus [Gr. Lazaros, →Hebr. Eleazar, God heeft geholpen], in het NT (Luc.16) melaatse uit de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus. Later patroon van zieken (lazaret, hospitaal) en melaatsen.

Lees verder
1964
2021-09-20
voornamen

Voornamenboek

Lazarus

m Van Hebr. El’azar 'God helpt'. Lazarus is de (Gri. en) Lat. vorm. Hij komt voor als de naam van de bedelaar in de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus (Luc. 16, 19-31) en van de broer van Maria en Martha, die door Christus uit de dood werd opgewekt (Joh. 11). Naam van een 5e-eeuwse bisschop van Aix, waardoor later de leg...

Lees verder
1955
2021-09-20
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Lazarus

melaatse; lazarusklep: ratel, waarmee de melaatsen in de middeleeuwen hun nadering aankondigden.

1950
2021-09-20
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Lazarus

1. bedelaar in een gelijkenis van Jezus (Luc. 16 : 20): 2. vriend van Jezus, broeder van Maria en Martha. Door Christus wordt hij uit de dood opgewekt (Joh. 11 :1).

Lees verder
1949
2021-09-20
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Lazarus

in het N.T. naam van (1) de broeder van Maria en Martha, die door Jezus uit de dood werd opgewekt (Joh. 11); (2) een figuur uit de gelijkenis van de rijke man en de arme L. (Luc. 16: 19-31).

1948
2021-09-20
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

lazarus

m. melaatse, besmet met l a z a r ij of lazaruszeer; dronken.

1933
2021-09-20
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Lazarus

broeder v. Maria en Martha, door Jezus u/d dood opgewekt.

1928
2021-09-20
Wat is dat?

Wat is dat? Encyclopedie voor jongeren (1938).

Lazarus

De Evangeliën verhalen, dat tijdens Christus’ omwandeling op aarde, in het gehucht Bethanië een gezin woonde, bestaande uit twee zusters en een broeder. De zusters heetten Martha en Maria, de broeder Lazarus. Wanneer de Heiland op Zijn tochten Bethanië bezocht, placht Hij gaarne in dit gezin te vertoeven. Op zekeren dag werd La...

Lees verder
1919
2021-09-20
uitdrukkingen

Woorden en uitdrukkingen verklaard

Lazarus

nu nog alleen in gebruik in de platte uitdrukkingen: lazarus (dronken) zijn, en het lazarus (de melaatschheid) krijgen. Mnl. lasarus, lasers, lazerus e.a., ook als b.nw. en dan soms met sch er achter. Ontleend aan de beide Bijbelsche personen, in het eerste — Lazarus, de broeder van Maria en Martha, die gestorven was en opgewekt werd (Joh. II...

Lees verder
1916
2021-09-20
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Lazarus

Lazarus - (Aram. „dien God helpt” òf: „zonder hulp”), naam van 2 personen in de Evangeliën. 1) De broeder van Maria en Martha in het huisgezin te Bethanië, Lk. 10: 38 v„ hij werd door Jezus van den dood opgewekt, Joh. 11: 46, 12:1. 2) Een figuur uit de welbekende gelijkenis van den rijken man en den armen L„ Luk. 16: 20, 23—25. H. Oort, Theol. Tijd...

Lees verder
1898
2021-09-20
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Lazarus

1. Lazarus bn. besmet met lazarij of melaatschheid. Zie het volgende LAZARUS; — (plat) hij is lazarus, stomdronken; — (plat) ben je lazarus ? ben je bedonderd, ben je gek ? wat denk je wel 2. Lazarus m. (-sen), inz. de naam van den in de H. S. (Lukas 16 vs. 20) genoemden melaatsche, die later tot beschermheilige of patroon der kranken,...

Lees verder
1870
2021-09-20
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Lázarus

Lázarus, afkomstig van Eleazar, was, volgens het Evangelie van Johannes, de door Jezus uit de dooden opgewekte broeder van Martha en Maria van Bethanië. — In de gelijkenis van den Rijken man wordt die naam aan den Armen man gegeven. De R. Katholieke Kerk verhief laatstgenoemde tot beschermheilige der kranken, vooral dergenen, die aan uitslagziekten...

Lees verder
1864
2021-09-20
Beknopt kunstwoordenboek

Beknopt kunstwoordenboek, I.M. Calisch (1864)

lazarus

lazarus - bn. met melaatschheid behebt; arm als lazarus, van alles beroofd